Recensie: Transit - Over ongrijpbare gedachtes en hoe je de nacht overleeft (2020) door Durim Morina
Artikel gepubliceerd op 5 april 2020 om 13:30

© Liza Imagojeva

Door Anthony Manu

In de flaptekst van zijn eerste bundel Transit (2020) beschrijft Morina de gedichten die erin voorkomen onder meer als “tussenstops” op een tocht “langs een donker spoor van afgebroken herinneringen”. Die lyrische omschrijving blijkt verbazingwekkend accuraat. Elk van de drie delen van de bundel wordt voorafgegaan en gevolgd door een pagina die ofwel één woord bevat ofwel gevuld is met een patroon dat in de herhaling van één woord bestaat. De woorden zijn “Ik”, “Liefde”, “Jij” en “Wij” en verraden de opzet van de bundel. Een jongen, die vaak met het lyrische-ik overeenkomt en, zo laat het inleidende gedicht “Mijmerend deprimerend” alleszins vermoeden, aan Morina refereert, reflecteert over een stukgelopen relatie met de nogal mysterieuze vriendin. De reflectie behelst onder meer een worsteling met een identiteitscrisis (“De naam blijft Durim / Hoe moeilijk dat ook went”) en een zoektocht naar een toereikende wijze van expressie (“Wetend dat jij slechts een herinnering van een illusie bent, illustreert / de groeven van een uitgegomde potloodpunt”).

Ondanks het eenvoudige en herkenbare onderwerp leiden de psychologische en poëticale wendingen van de overpeinzingen vaak tot hermetische beelden, die veelal op een reconstrueerbaar psychoanalytisch aanvoelend spel van klank- en beeldassociatie berusten. Naast het plezier dat de lezer aan die reconstructies beleeft, is een sterkte van de gedichten de subtiliteit van de overgangen tussen het concreet-situationele en het universele. De duistere leegte als een abstract symbool van verlorenheid vervloeit naadloos met de ruimte bij een tafereel dat zich in een donker studentenkot of ’s nachts op straat afspeelt. 

Waarin de bundel ten slotte uitblinkt, is het intelligente spel met kwetsbaarheid en afstand. Tussen de abstracte beelden duiken zeer concrete en schijnbaar authentieke scènes op maar door de fragmentatie lijkt een eenduidige interpretatie te gemakkelijk. Ook hier gaat het om flarden van herinneringen waarover nagedacht wordt om tot een begrip te komen. “Verhaal no.1” schetst bijvoorbeeld een relatiebreuk maar de titel en de hij-vorm roepen de vraag op of het hier om meer dan één mogelijke reconstructie gaat. Kortom, Transit is een bundel die de lezer meesleept, niet door te baden in sentiment maar door hem te laten deelnemen aan een bewogen maar niettemin geloofwaardige poging om met een poëtische contemplatie een gevoelswereld weer op orde te krijgen.

Het laatste gedicht van Transit, waarvan ook verschillende vertalingen achteraan in de bundel staan, is een toonbeeld van Morina’s stilistische kunnen. Het gedicht beschrijft hoe het lyrische ‘ik’, dat mogelijk aan Morina refereert, van de duikplank springt in een Kosovaars openluchtzwembad: een herinnering die niet aan een precies moment gebonden is, maar eerder een symbolische waarde aanneemt en zich zo met het ganse bestaan van de auteur verstrengelt. Een gebroken herinnering is het ook. De details van de gebeurtenis vervallen zodat slechts overblijft wat cruciaal is voor de symbolisch geladen ervaring van de sprong: de plank, of eigenlijk de idee daarvan die in geometrische termen omschreven kan worden, het contrast tussen de warme lucht en het koude water en het abstracte gevoel van een dynamisch en nog irreëel lijkend gevaar, alsof men een bliksemonweer voelt naderen op een zomerdag. Na de sprong kan nog dieper tot de essentie van de herinnering worden doorgedrongen: de bevrijdende ervaring van de val, of neen, een “val” impliceert een hoogtepunt en een ondergrond. “Een dragen van de lucht”, zo drukt het gedicht het uit.


© Durim Morina

Over Durim

Durim Morina studeerde af als leerkracht secundair onderwijs Engels en Nederlands in Gent en volgt nu de masteropleiding Taal- en Letterkunde aan de VUB. Hij schreef gedichten voor de Moeial en won poëziewedstrijd Het Landjuweel met Letteren- en WijsbegeerteKring. Instagram: @durkigram

Springen van de springplank

Kosovo, elke julimaand sinds 1996. Iedere zomer hetzelfde zwembad. Het water is er al altijd koud geweest. Net wat je nodig hebt wanneer de hitte je huid knapperig braadt. De attracties (een glijbaan en een springplank) vervielen tot enkel de springplank recht bleef staan. Veel stelt dat ook niet voor, het is een betonnen rechthoekig platform op een statief van zo’n drie meter hoog, met een stalen trap die geel kleurt in verschilferde lagen verf. Ik herinner me de angst die me verlamde toen ik nog maagdelijk naar beneden staarde.

Een bliksemgeleider wachtend op de bliksem tijdens een zonovergoten dag. Wachten, plaats maken, wachten, anderen voorlaten, wachten tot er niemand meer boven staat en dan schuifelen naar de rand. Ik stel me voor hoe ik struikel over mijn voeten en val. Ik land plat op het water en scheur mijn buik open. Ingewanden verspreiden zich als kikkerdril en het bloed kleurt een kleutertekening. De oude zon verdwijnt achter de nieuwe wolken en een windvlaag steekt de kop op.

Ik schrik wakker uit de fictie van mijn fantasie en voel een aanwezigheid achter mij. Het spreekt: ‘Ben je klaar om te springen of zoek je de laatste zonnestralen?’ Ik draai me om en zie een man van graniet, gespierd, getatoeëerd en klaar om het wateroppervlak aan te vallen. ‘Ik… wacht op… iets’, zeg ik al starend naar de tweekoppige adelaar op zijn borstkas. Hij houdt zijn hoofd schuin en krabt aan zijn kruin, haar heeft hij echter niet. Ik zeg niets meer en plaats mezelf aan de kant van het platform. Hij trekt zijn schouders op en de ene adelaarskop geeft me een knipoog. De man zet zich schrap, start zijn aanloop en met een explosieve sprong vliegt hij de lucht in. Armen gespreid alsof vallen geen optie is, maar ook hij lijdt aan de grenzen van de mens. Het hoogtepunt is in de geschiedenis, nu zakt hij, in de toekomst klieft hij een weg voor zijn lichaam en diens ongedierte door het water. Geen tijd om te vallen. ‘Hij vliegt, hij vliegt, hij heeft echt gevlogen’, denk ik luidop.

Ik sta wederom alleen aan de top. Hoe hoog laag lijkt als je de korte weg niet kent. Van achter de bergen komen dreigende wolken. De massa raapt haar spullen bijeen bij de eerste donderslag, bij de tweede starten de auto’s en stappen de voeten en bij de derde is het stil. De wind fluit in mijn gezicht, ik sluit mijn ogen. ‘Tijd wacht niet.’ Mijn tenen omklemmen de rand, ik adem in, open mijn ogen en houd de lucht gevangen. De bliksem slaat in. Verblind spring ik. De lucht ontsnapt en ik ben vrij boven het water, zo-even zweven en dan… ‘Ik val, ik viel! Langer dan ik ooit gevallen was.’ Dit bedacht ik toen het water me omarmde.

Maar nu weet ik dat alles tussen het springen en het vallen, gevlogen was. Een niets, een leegte, een dragen van de lucht, een ogenblik, rust is wat ik zocht.