X Feminihypocrisie
Artikel gepubliceerd op 8 maart 2020 om 11:59

© Marit Galle

Door Lien Delabie

Ik ben een feminist, maar ik ben er niet altijd even goed in. 

Ik ben de eerste die op café met vrienden een relaas over de anatomie van een clitoris zal afvuren en zal bepleiten hoe schandalig het is dat we die nog maar zo’n twintig jaar kennen. Mijn boekenkast is gevuld met bundels over objectivering van vrouwen, seksueel geweld, popcornfeminisme, schoonheidsidealen en intersectioneel feminisme (het feminisme dat ruimer gaat dan de blanke, middenklasse, hetero, cis, valide vrouw). En toch! Wreek mij! Soms ben ik een hypocriet. Mea culpa, mea maxima culpa.

Ik ben een feminist, maar als ik door mijn maandstonden geen honger heb, is er nog altijd een stemmetje dat zegt dat dat goed is voor de lijn, ook al heb ik mijn zwaardere billen al lang leren liefhebben. Ik vind dat ik zelfbeschikkingsrecht heb over mijn lichaamshaar, maar scheer mijn benen soms nog net voor een eerste date omdat ik niet weet of ik de man tegenover mij nog moet informeren over dat recht. En als die date vervolgens een idioot blijkt te zijn die Jordan Peterson ophemelt en zichzelf een ‘man-ist’ noemt, blijf ik zitten omdat ik het eerste rondje betaalde en een pint terug gezet wil. 

Ik streef staalhard naar de gelijke behandeling van mensen, maar ik bleef kalm toen de man die mijn gitaar zou herstellen met zijn speeksel mijn tattoo – waarvan hij dacht dat het ‘vuiligheid’ was – van mijn arm probeerde te vegen omdat hij de enige was die mijn gitaar aan zo’n goedkope prijs opnieuw ineen kon timmeren. Ook als hij klaagt dat “vrouwen tegenwoordig meer op zoek zijn naar status dan naar inhoud”, en dat missionaris Jeanne Devos “nu eens een échte vrouw” is, blijf ik diplomatisch. Choose your battles, niet?

En ondanks mijn wekelijkse feministische lectuur, stond ik enkele weken geleden op een feestje met mijn mond vol tanden toen een zelfingenomen macho opperde dat ik er 18 uitzag omdat mijn mond duidelijk nog te klein was om zijn piet af te zuigen. Ik zocht naar de juiste woorden om te benoemen hoe hij mijn veilige bubbel die avond doorprikt had, maar alles wat in me opkwam, klonk als een kinderlijk zwaktebod. Ik probeerde dan maar boven de muziek uit te roepen dat hij me ongemakkelijk liet voelen, wat weinig verbazingwekkend geen schot in de zaak bracht. Toen hij uiteindelijk ook fysiek agressief werd, zag ik me genoodzaakt hem te laten weghalen door security – iets wat door de omringende mannen op hoongelach onthaald werd: “allez, gij wil zijn piet niet afzuigen of wa?”.

Van kinds af aan heb je als vrouw aangeleerd om mooi, slank, verzorgd, beleefd en tegelijk maagdelijk én Madonna te zijn. Om je moederinstincten te volgen en zorgzaam te zijn. Om romcoms te verkiezen boven voetbalmatchen. Rosé te drinken in plaats van bier. Om je rol te kennen, net zoals mannen de hunne kennen. Inzien dat die rollen er zijn, en dat er ook structureel ongelijkheid is, is één iets. Radicaal die kennis omzetten in daden is een proces van vallen en opstaan.

Eens je de wereld door een feministische bril bekijkt, is het moeilijk om die anders te bekijken. Toch zet je die bril soms af omdat het energie vergt om telkens op dezelfde nagel te kloppen. Of soms valt die af omdat je jezelf nu eenmaal jarenlang gedrag aanleerde, en eveneens leerde om het gedrag van anderen te aanvaarden. Het gaat erom dat als die bril even van je neus dondert, dat je die erna weer opzet, ongeacht genderidentiteit. We moeten de sprakeloosheid blijven bekampen tot die mondigheid er is. En op dat moment, zullen we niet langer zwijgen.