Hervorming studentenfeedback leidt niet tot meer participatie
Artikel gepubliceerd op 21 mei 2019 om 19:00

© Marit Galle

"Het zit niet in ons DNA om een verplichting in te voeren, maar we kunnen het niet langer blijven uitsluiten"
Door Lien Delabie

Zesentwintig procent. Dat is het percentage van studenten die vorig semester de online bevraging over hun cursussen invulden. Net als andere universiteiten, worstelt de VUB om de participatiegraad naar boven te krijgen. Zo plande ze dit academiejaar de evaluaties in voor de examens, maar ook dat mocht niet baten. Vicerector Onderwijs- en Studentenbeleid Jan Danckaert en afdelingshoofd kwaliteitszorg en onderwijsprofessionalisering An Faems zoeken verder naar oplossingen.

Na het volgen van een vak is er vaak maar één iets wat je echt wil doen: de lijdensweg van overkookte hersenpannen en een desastreuze hoeveelheden koffie vergeten. Net als alle andere universiteiten spoort de VUB haar studenten als ware sadisten aan om die lijdensweg juist intens te herbeleven: wat vond je er fijn aan? Wat juist niet? Stond de micro luid genoeg? Is een examenvraag op 80% van de punten fair? Een heikel taakje, maar volgens Danckaert en Faems is studentenfeedback uiterst noodzakelijk.  

Waarom is het zo belangrijk dat studenten die evaluaties invullen?

Faems: “Het is een van de elementen waardoor we inzicht kunnen krijgen in de kwaliteit van ons onderwijs. We zijn geïnteresseerd in zowel de negatieve als de positieve reacties van studenten, waarmee docenten daarna aan de slag kunnen. Via constructieve reacties kunnen we bijvoorbeeld kijken wat we kunnen veranderen in andere vakken. In de eerste plaats gaan docenten en voorzitters van opleidingsraden zelf met de resultaten aan de slag.”  

Danckaert: “De feedback van studenten is natuurlijk maar een deel van de onderwijsevaluatie. Er zijn een heleboel andere dingen die proffen doen voor het onderwijs, waar studenten niet rechtstreeks feedback over geven, zoals het correct invullen van de opleidingsonderdeelfiches, het volgen van onderwijsprofessionalisering of het opnemen van verantwoordelijkheid in de opleidingsraad of in werkgroepen.”

Sinds dit jaar is de evaluatieperiode voor de examens. Vanwaar die keuze?

Faems: “Daar zijn een aantal redenen voor. Ten eerste merkten we dat studenten steeds minder deelnamen aan de evaluaties.  De deelname lag in het tweede semester van academiejaar 2017-2018 op zeventien procent. We hebben al meerdere pogingen ondernomen om de participatie verhogen, maar nu was ze zo dramatisch laag dat we niet nog jarenlang wilden vergaderen over hoe we dat zouden doen.”

"Wat is de waarde van feedback als slechts zeventien procent van de studenten de bevraging invult?"

Jan Danckaert

“We hadden toen in een aantal opleidingen al een pilot gedaan rond het vervroegen van de bevraging. Als docenten tijdens de lessen zelf tijd vrijmaakten om de evaluaties te laten invullen, had dat een gunstig effect op de participatie. Vandaar dat we het dit jaar voor de examenperiode deden. Dat heeft een aantal voordelen: we kunnen studenten aanspreken als ze nog niet op vakantie zijn en de bevragingsperiode duurt op die manier maar een maand. Toen de evaluaties pas na het tweede semester startten, stond de bevraging meer dan drie maanden open. Dat is te lang.”  

Danckaert: “De evaluatieperiode van vorig semester was een poging om de participatie te verhogen. We willen de participatie naar boven, want wat is de waarde van feedback als slechts zeventien procent van de studenten de bevraging invult? Docenten stellen zich dan de vraag of die deelnemende studenten dan toevallig de outliers zijn, zij die het heel goed of heel slecht vinden. Voor hen is het niet duidelijk hoe ze die evaluaties moeten interpreteren. Het voordeel was dus vooral de verhoging van de participatie. Het nadeel was natuurlijk dat we de feedback over de examens er niet in konden meenemen.”

Faems: “Hiervoor zijn wel alternatieven. Naast die bevraging worden er ook focusgesprekken georganiseerd, waar studenten kunnen aangeven of er iets misgaat met de evaluatie. Bovendien kunnen ze via studentenvertegenwoordigers van de opleidingsraad feedback geven over de evaluatie van examens. Als er grote problemen zijn, kunnen ze naar de ombudspersoon gaan.”

Was de participatie hoger?

Danckaert: “We kunnen niet zeggen dat we er blij mee zijn. In sommige opleidingen steeg de participatie spectaculair, terwijl ze in de grote opleidingen daalde. De globale deelname blijft dus op een status quo. Het is teleurstellend, we gaan daar niet flauw over doen. In het tweede semester hanteren we nog eens dezelfde aanpak, waarbij we gebruik maken van de goede praktijken van het eerste semester. Daarna gaan we evalueren.”

"De globale deelname blijft dus op een status quo. Het is teleurstellend, we gaan daar niet flauw over doen"

Jan Danckaert

Hebben jullie een idee waarom zo weinig studenten de bevraging invullen?

Faems: “De redenen zijn redelijk uiteenlopend. Een van de dingen die we horen is ‘we vullen het niet meer in, want het zal toch niet meer voor ons zijn’. Dat is natuurlijk een zorgwekkende ingesteldheid. Een andere reden dat studenten het niet doen, is omdat ze zeggen dat ze het effect niet zien. Daarom moedigen we docenten en opleidingsraden aan om expliciet toe te lichten wat ze doen met de feedback.”

Danckaert: “Ik geloof echt dat docenten gebruikmaken van de feedback. Soms gaat het over hele kleine dingen, bijvoorbeeld wanneer slides van een hoorcollege beschikbaar worden gesteld. Daar kunnen docenten mee aan de slag.”

Faems: “De lage participatie versterkt natuurlijk het idee dat er niets mee gebeurt. Het vermindert de validiteit voor docenten, studenten zien het niet…”

Danckaert: “Er is een negatieve spiraal waar we absoluut uit moeten zien te geraken. En in alle eerlijkheid is het nog niet duidelijk voor ons hoe we dat kunnen doen. Sommige universiteiten voeren een verplichting in door bijvoorbeeld de toegang tot een leerplatform te ontzeggen als de bevraging niet ingevuld werd. Dat hebben we tot nu toe altijd willen vermijden omdat het niet in ons DNA zit om bepaalde zaken op te leggen, maar we kunnen die optie niet meer uitsluiten.”

Hebben studenten inzicht in wat er met die evaluaties gebeurt?

Faems: “Vooral via de docenten zelf. We moedigen hen aan om erop terug te komen in de les. De globale resultaten kunnen studenten bekijken op de website, per opleiding. Studenten krijgen dus niet de individuele fiche van een docent te zien, omdat we in de eerste plaats vinden dat een docent aan de slag moet gaan met die informatie.”

"We zitten tussen de zeven en acht op tien per aspect van de studentenfeedback"

An Faems

Wat doen jullie als jullie merken dat een docent er niet mee aan de slag gaat?

Faems: “Er zijn drie fases als het gaat om negatieve feedback. Bij een eerste signaal geven we vertrouwen en autonomie aan de docent of het docententeam om het signaal zelf op te volgen. Indien gewenst kan de docent een beroep doen op onderwijskundige begeleiding of kan hij of zij overleggen met de voorzitter van de opleidingsraad. Vanaf het tweede signaal wordt er een remediëringsplan verwacht en wordt er ook verwacht dat de docent of het docententeam dit plan bespreekt met de voorzitter van de opleidingsraad en een onderwijskundige. Het is dan ook de bedoeling dat het formeel opgevolgd wordt. Op onze universiteit zitten een handvol docenten bij het tweede signaal, dat zijn er niet heel veel. Het derde signaal hebben we nog nooit meegemaakt, maar dan komt het bij de vicerector en onderwijskundigen.”

Faems: “Gemiddeld gezien zijn de resultaten wel goed. We zitten tussen de zeven en acht op tien per aspect van de studentenfeedback. Dat wijst wel op een zekere tevredenheid bij de studenten.”

Wat vangen jullie nu aan met die zesentwintig procent?

Faems: “Zodra drie studenten de bevraging ingevuld hebben, kunnen we rapporteren. Als dat drie studenten zijn op een groep van vijftig of tachtig, gaan docenten de feedback wel gemakkelijker minder ernstig nemen. Ik denk dat dat logisch is.”

“We denken heel veel na over hoe we het proces kunnen verbeteren. Al onze beslissingen gaan telkens naar de onderwijsraad, de academische raad en de studentenraad. En op alle raden zijn er altijd zeer geanimeerde discussies.”

Danckaert: “Er zijn altijd heel sterke meningen. Ze zeggen ‘doe dit en dan gaat het veranderen!’. Maar de praktijk is een harde leerschool wat dit betreft. En een moeilijke. Ik geloof niet dat er mirakeloplossingen zijn, maar we blijven zoeken.”