Verloren
Artikel gepubliceerd op 1 mei 2019 om 23:17

© wieste

Door Lien Delabie

De uitgang vinden in een shoppingcentrum. Er lijkt een bepaald mensenras te zijn dat instinctief weet dat ze eerst de trap naar beneden moet, dan rechtsaf bij de Hema en vervolgens de lift kan nemen naar het gelijkvloers. Wie zijn ze, wat drijft hen, maar vooral: hoe doen ze ’t in godsnaam?

Ik kan de ruzies over mijn oriëntatievermogen met mijn vriend niet meer op vijf handen tellen. Ik heb vier jaar in Gent gewoond en moet met schroom bekennen dat ik meermaals – met de beste bedoelingen – toeristen de verkeerde richting uitstuurde. Ondergrondse doorgangen bij kruispunten vermijd ik stelselmatig: een op de twee keer kom ik er aan dezelfde kant van de straat weer uit.

Ik weiger te geloven dat mijn gebrekkig navigatievermogen een gevolg is van mijn twee X-chromosomen die me genetisch gezien dwingen om oost en west consequent te verhaspelen. Anders was Jane Goodall waarschijnlijk noodgedwongen opgenomen in de chimpanseegemeenschap nadat ze haar weg niet meer vond uit het reservaat in Tanzania. Als wetenschappers al een link kunnen leggen tussen veel hete thee drinken en slokdarmkanker, is er vast wel een meer genuanceerde verklaring voor mijn gebrekkige oriëntatie dan louter ‘vrouw zijn’.

Mijn hippocampus is wellicht een fragiel, onderontwikkeld kruimeltje

Het wereldwijde web mag dan een algoritmisch labyrint zijn, daar vind ik wel mijn weg. Al snel leert Google me dat het de grootte van mijn hippocampus – een hersendeeltje dat ook je lange- en kortetermijngeheugen beïnvloedt – is die bepaalt dat ik bij het verlaten van de campus al te vaak aan de ULB beland in plaats van aan mijn bushalte. Londense taxichauffeurs, die zo’n 25.000 straten uit het hoofd kennen, blijken hele grote hippocampi te hebben in vergelijking met de ordinaire mens. Mijn hippocampus is wellicht een fragiel, onderontwikkeld kruimeltje. Het goede nieuws: door te oefenen kan je dit hersengebied laten groeien. Het padvindersbestaan hoeft nog geen afgesloten hoofdstuk te zijn.

Waarom mijn hippocampus slechter getraind is dan die van anderen, is vooralsnog een raadsel. Misschien vertrouw ik te vaak op de Google Maps-vrouw en haar Nederlandse stem die me vraagt om te keren, indien mogelijk. Zo oefen ik evenwel niet, maar uiteindelijk hoeft een ondermaats navigatievermogen geen onoverkomelijk probleem te zijn. Een broekzak-GPS is vooral pijnlijk voor mijn 4G-abonnement, niet voor mijn eigenwaarde.

Ik stel nog een laatste vraag aan Google: is het wel nog nodig om te kunnen navigeren in een GPS-wereld? Nou, ja. Tussen het researchen door krijg ik fijntjes mee dat het eerste symptoom van Alzheimer verdwalen is en dat navigatie trainen de ziekte misschien wel kan afremmen. Niets is zeker, maar ik neem toch het zekere voor het onzekere. Ik ben nog niet klaar om Google Maps te verbannen, maar misschien beoefen ik nu weleens vaker hippocampusgymnastiek door toch maar eens een ondergrondse doorgang te trotseren. I’ll see you on the other side.

Or on the same side. Whatever.