Kunst op de campus
Artikel gepubliceerd op 1 mei 2019 om 23:10
In het depot in de Pleinlaan 9 worden de meeste werken die niet tentoongesteld worden bewaard    
© Marit Galle

"Nat is nat, en blijft nat. Dat kan je niet restaureren"
Door Marit Galle en Jan Meeus

De kunstcollectie van de VUB lijdt onder een structureel gebrek aan middelen, met beschadiging van werken en verwaarlozing van de administratie tot gevolg. De nieuwe Cultuurtoren brengt, met een nieuwe opslagruimte en extra personeel, lichte verbetering, maar er is nog veel werk aan de winkel.

De kunstcollectie van de VUB is eerder onbekend, en jammer genoeg misschien ook onbemind. De universiteit heeft echter een bijzondere affiniteit met kunst en over de campus en de gebouwen zijn verschillende kunstwerken verspreid. Maar door gebrek aan middelen is er een laagje stof over de collectie neergedaald.

Jan Vanriet, Marcel Mariën, Sam Dillemans, Hilde Braet, Pjeroo Roobjee, Dianne Bogaerts… allemaal zijn ze vertegenwoordigd in de rijke en gevarieerde kunstverzameling van de VUB. De collectie, die bestaat uit ongeveer 500 kunstwerken, is verspreid over de gangen en bureau’s van de campus. De werken die niet tentoongesteld worden bevinden zich in één van de depots, onder gebouw G of in de Pleinlaan 9.

Het kunstpatrimonium lijkt vandaag te overleven op de goodwill van een paar VUB'ers

Het kunstpatrimonium wordt beheerd door Niklaas Van den Abeele van de cultuurdienst van de VUB, KultuurKaffee. Hij is verantwoordelijk voor het “laten rollen” van de dienst, onder andere de productie van de activiteiten, de inrichting van de nieuwe zaal in de Cultuurtoren en heel wat administratie. Daarnaast onderhoudt hij dus ook de kunstcollectie. “Maar dat is een kleine niche,” zegt hij er meteen bij, “als ik daar één keer in de week even mee bezig ben, is dat al veel.” Twee jaar geleden nam hij het initiatief om de collectie te laten onderzoeken. Hij zocht en vond in de opleiding Kunstwetenschappen en Archeologie een student die een thesis zou maken over de kunstverzameling. De resultaten van dat onderzoek werden vorig jaar bekend. Een goed moment om de collectie eens in de schijnwerpers te zetten.

De geboorte van Venus

De collectie kwam er door verschillende initiatieven: aankopen van de Oudstudentenbond of het rectoraat, of giften van kunstenaars. Van den Abeele vertelt dat er geen gestructureerd aankoopbeleid is voor kunstwerken op de VUB. “Als de gelegenheid zich voordoet en er komt een budget vrij, wordt er soms iets aangekocht.” Zo’n gelegenheid bood zich recent aan dankzij het XY-project en het nieuwe zwembad. De fameuze 1%-regel stelt dat voor grote nieuwbouwprojecten die gesubsidieerd worden door de overheid, 1% van het budget aan cultuur moet worden besteed. “Er komen door die regeling vier nieuwe kunstwerken op de campus oefenplein (Brussels Science, Humanities & Engineering Campus, n.v.d.r.), en dat is bij mijn weten de eerste keer dat zoiets hier op de VUB effectief wordt toegepast.” De Kunstadviescommissie maakte de selectie van kunstwerken onder leiding van professor Agogische Wetenschappen Willem Elias, die volgens Van den Abeele de grote bezieler is van het kunst- en cultuurgebeuren op de campus. “Hij heeft dat altijd gedragen, en het is ook een beetje dankzij hem dat de kunstcollectie hier is. Dus ere wie ere toekomt. Misschien wordt de Kunstadviescommissie nu ook wel de motor om ook dit beleid (aankoop en beheer van de collectie, n.v.d.r.) verder uit te werken.”

"De indiaan" (Het concilie van Wounded Knee, 1973) van Camiel Van Breedam    
© Jan Meeus

Er mag dan geen strak beleid zijn, vanuit de VUB is er toch interesse voor cultuur. “Zeker met Caroline Pauwels als rector. Mochten er budgetten zijn, ze zou nog veel meer doen dan ze nu kan doen. Eigenlijk is zij de ideale rector voor cultuur, maar de rem zit hem altijd op de mogelijkheden.”

Naast de aankopen vormen ook giften een belangrijke bron voor de collectie. Maar omdat de cultuurdienst al vijf jaar geen galerij meer heeft (die verdween met het oude KultuurKaffee, dat plaats moest maken voor het XY-project), ontvangen ze nu minder giften. Vroeger was er een systeem van exposeren: “Kunstenaars, meestal opkomende, mochten een expo houden in onze galerij. Wij voerden dan de promotie en in ruil kregen we een werkje. Zo is een groot deel van de collectie binnengekomen. Ook mensen die Willem Elias of de VUB wilden steunen deden soms schenkingen. Nu staan de giften op een lager pitje, ook omwille van het feit dat we geen galerij hebben op de campus,” zegt Van den Abeele, die hoopt dat de volgende generatie zich daar weer meer mee bezig kan houden.

Ten slotte duiken er af en toe ook werken uit het niets op. “Ik krijg wel eens een telefoontje van iemand die iets heeft gevonden dat nog niet in de database staat. Onlangs vond iemand bij het leegmaken van een verdieping van het Braemgebouw voor de renovatie nog een map met kunstuitgaven. Waarschijnlijk lag dat op een kast stof te vergaren, tot de kast weg moest en het op de grond terecht kwam. Helaas, zo wordt ermee omgegaan.” Voor hetzelfde geld had de map in de container gelegen, dus Van den Abeele is de vinder zeer dankbaar.

"Een paar werken zijn verdwenen. Maar ga er maar eens achter"

Niklaas Van den Abeele

Openbare werken

De VUB-collectie is verspreid over drie soorten locaties: de bureau’s van het personeel, de openbare ruimte en de depots waar de kunst wordt bewaard die niet wordt tentoongesteld.

De bureau’s zijn volgens Van den Abeele de meest veilige plaatsen. “De gangen daarentegen, daar komt al eens iemand voorbij. Daar kan al eens wat damage gebeuren. De beelden buiten op de campus zijn ook niet veilig.” Een bekend voorbeeld daarvan is ‘het ei’ (‘Rolling Stone’ van Kris Vanhemelrijck), dat vroeger naast de sportbaan lag. Het werk werd regelmatig omgeduwd en naar andere plaatsen gerold. Tegenwoordig ligt het weg te kwijnen achter gebouw T bij de centrale verwarming. “Er is een ‘resem mieren’ gepasseerd,” vertelt Van den Abeele, “studenten organiseerden een doop en het werk moest er ook aan geloven. Het bronzen beeld van Paul Van Gysegem (dat nu voor het Braemgebouw staat) werd een keer beklommen door een student en is afgeknakt. Die student heeft geluk gehad dat het beeld niet op hem terechtkwam, anders had hij het niet kunnen navertellen.”

Een schilderij van onbekende herkomst in het depot in de Pleinlaan 9    
© Marit Galle

Beseffen mensen niet dat het om kunstwerken gaat? Er staan immers geen naamplaatjes bij. Van den Abeele vraagt zich af of dat wel moet. “Moet je er bij zetten ‘pas op, dit is kunst’? Ik verwacht van mensen van enige leeftijd toch een beetje respect en gezond verstand. Desondanks hebben de meeste kunstwerken  de tand des tijds doorstaan en ik denk dat er een redelijke collectie op de campus staat.”

De gevallen indiaan

Een ander bekend voorbeeld van een beschadigd werk is ‘de indiaan’ van Camiel Van Breedam (Het concilie van Wounded Knee, 1973), dat ondertussen gerestaureerd werd en nu in de ‘glazen bokaal’ in gebouw D staat, naast de Promotiezaal. “Dat is ook een doos van Pandora,” zegt Van den Abeele wanneer we hem ernaar vragen, “het was een schenking van Van Breedam. Ze heeft hier jaren in de kelder gelegen omdat er geen ruimte voor was. Het kunstwerk heeft ook nog boven de ijskelders gelegen toen de PK-zaal daar nog was. Daar is een deel ervan ontvreemd geweest, de schedel en de kazuifel. Op een gegeven moment hield Van Breedam een retrospectieve en vroeg hij naar het werk. Toen moesten wij met het schaamrood op de wangen zeggen dat er een beetje stof op lag en wat stukken waren verdwenen, omdat we nooit een locatie hadden om het te zetten. Hij is het dan op komen halen om het te restaureren en ik heb hem toen ook geholpen bij het vinden van een kazuifel en een nieuw doodshoofd. Het werk is helemaal hersteld en getoond in de Dossin-kazerne. Daarna zei hij dat we het niet terug kregen als we er geen locatie voor voorzagen. Maar eigenlijk had hij zelf ook geen plaats om het zetten, dus is het toch terug gekomen. Het heeft een tijd in het depot in de Pleinlaan 9 gelegen, tot een paar mensen met een hart voor kunst, van de dienst Infrastructuur, op zoek zijn gegaan naar een locatie. Men heeft dan beslist om het daar in gebouw D te zetten, en men heeft daar mijns inziens goed aan gedaan.” Volgens Van den Abeele is het wel het enige werk dat lange tijd verwaarloosd werd, omwille van het gebrek aan een locatie.

De kunst van de opslag

De werken die niet tentoongesteld worden zijn opgeslagen in een van de depots. Daar rusten ze echter ook niet zonder gevaar. “Op een maandagochtend werd ik gebeld door iemand van de VUB. Ik dacht meteen ‘er is iets gebeurd, want het is niet normaal dat die persoon me voor 7 uur ’s morgens belt’,” aldus Van den Abeele. Een buis was gesprongen in gebouw G en het water sijpelde vanuit de gang het depot in, waardoor de werken die op de grond stonden waterschade opliepen. Van den Abeele vertrok om met man en macht alles wat ze konden uit het depot te halen. “Ik heb proberen redden wat te redden viel. De VUB heeft hier goed geholpen, dit was een brandje blussen hè, dat kan je niet voorzien.” Daarna is een deel van de collectie, voornamelijk de grootste werken, verhuisd naar Pleinlaan 9. Het depot in gebouw G is ondertussen weer operationeel, maar alles is nu uit voorzorg 60 cm van de grond geplaatst. Ze stonden voordien op de vloer door enerzijds een tekort aan plaats, en anderzijds, zegt Van den Abeele, omdat er eigenlijk misschien niemand aan gedacht heeft. “De werken huisden daar al sinds de vorige eeuw, van voor ik ermee begonnen ben, en je blijft er maar bij zetten, zonder erbij stil te staan dat er iets mis kan lopen.”

"Er zou zich iemand ten minste één volle dag in de week mee moeten kunnen bezighouden"

Niklaas Van den Abeele

Enkele van de werken die nat werden zijn al gerestaureerd, maar in het algemeen ontbreken daar de middelen voor. “De meeste werken waren te weinig waard,” gaat Van den Abeele verder, “nat is nat, en dat blijft nat. dat kan je niet restaureren. Met de fondsen die je voor restauraties nodig zou hebben kan je beter zorgen dat je ruimte geacclimatiseerd is. En dan is er helaas door – laat het ons ‘stormschade’ noemen – iets verloren gegaan.” Met de middelen die voor een restauratie van de werken nodig zouden zijn kan volgens Van den Abeele beter gezorgd worden dat de rest veilig hangt, en dat de mensen ervan kunnen genieten.

De databaas

De informatie over de collectie wordt bijgehouden in een speciale database. Die werd opgesteld door de voorgangster van Van den Abeele, Rita Hebbelinck. “Er bestonden vroeger her en der wel getypte lijsten van de werken, die werden bijgehouden in fardes, maar niets op de computer. Zij heeft zich er toen op toegelegd om dat allemaal samen te zetten in die database,” vertelt Van den Abeele. “Maar,” gaat hij verder, “wat is er natuurlijk gebeurd? De VUB is eigenlijk een grote verhuisfirma. Iedereen is hier aan het verhuizen en je weet op den duur niet meer wie waar zit (wijst naar een fiche van een kunstwerk in de map). Deze persoon heeft hier een keer een ontlening gedaan, maar wij weten niet of die nog op de campus zit, we weten niet of die op pensioen is, of die nog leeft.” Op een gegeven moment is Van den Abeele dan begonnen de mensen een handtekening te laten zetten op de fiche van het kunstwerk dat in hun bureau hangt. “Op die manier is er al een zekere responsabiliteit.”


© Gasttekenaar

“De lijst is helaas niet helemaal up-to-date omdat niet alle werken gelinkt zijn aan een verantwoordelijke. We zouden al zeer tevreden zou zijn als meer dan de helft van de werken een handtekening heeft van de persoon in wiens bureau het hangt. De cultuurdienst krijgt niet te horen wie naar waar verhuist en de mensen vergeten dat ze ooit een papier hebben ondertekend en verlaten de campus of verhuizen,” aldus Van den Abeele. Enkele werken zijn bovendien spoorloos. Het gebeurde vroeger wel eens dat ze mee verdwenen met mensen die met pensioen gingen. In tegenstelling tot wanneer je een kot huurt, wordt er geen staat van bevinding gemaakt van je bureau wanneer je komt werken op de VUB. “Er zou een methode moeten zijn van: kijk, je krijgt een bureau, een laptop, een mobiel en je krijgt een kunstwerk. En bij het verlaten van de campus geef je alles terug en laat je het kunstwerk hangen. Maar, wat gebeurde er? ‘Ahja ik ga op pensioen, en die laptop is drie jaar oud, die is afgeschreven he, ik zal hem maar meepakken’. Dat is ook met een paar kunstwerken gebeurd. En ga daar maar eens achter, I don’t know, dat is van voor mijn tijd. Momenteel heb ik geen weet van werken die de laatste tien jaar verdwenen zijn. Maar er zijn er verdwenen.”

Bouwen aan de toekomst

Het kunstpatrimonium lijkt vandaag te overleven op de goodwill van een paar VUB’ers met een hart voor cultuur, en dat beaamt Van den Abeele. “En dat is genoeg om het in stand te houden.” De VUB heeft dus het geluk dat voldoende mensen zich achter het project scharen, maar dat is allesbehalve vanzelfsprekend. Er moet dringend een structureel beleid komen, blijkt ook uit de thesis.

Volgens Van den Abeele is er wel zicht op beterschap. “Het beleid van de vijfde verdieping van het rectoraat laat ons toe om een sprongetje te maken, omdat we dat nieuwe gebouw krijgen.” Daar is ook een nieuwe opslagplaats voorzien. “Dat zal een betere ruimte zijn, maar ze is niet volledig geacclimatiseerd. Het is niet honderd procent volgens de regels van het spel. Het is geen museale omgeving, maar het is toch veel beter dan nu.” Een geacclimatiseerde ruimte was wel een aanbeveling van de thesis, maar die was pas klaar toen de plannen voor het nieuw gebouw al af waren.

Het nieuwe gebouw biedt naast de verbetering van infrastructuur ook een lichtpunt op het vlak van de werkdruk. Er staan 2,5 vacatures open, wat meteen een bijna-verdubbeling van het team van de cultuurdienst betekent. Tijdens de twee jaar dat hij nog aan de VUB mag werken zal Van den Abeele de persoon die wordt aangeworven voor de expo’s in de nieuwe Cultuurtoren inwerken in het beheer van de collectie. “Maar eigenlijk zou er iemand zich er ten minste één volle dag per week mee bezig moeten kunnen houden. Het is een project op zich.”

Om de database up-to-date te houden zou er ook een écht verhuisbeleid moeten komen. Op dit moment gebeurt de toewijzing van een bureau aan een personeelslid door de afzonderlijke diensten, waardoor men over de diensten heen niet weet wie waar zit. Dit vergt een communicatie tussen de verschillende diensten en vakgroepen, de personeelsdienst Mens & Organisatie en de cultuurdienst.

Ten slotte zou er ook een nieuwe thesis moeten komen over de collectie. De eerste onderzocht de papieren werken in de collectie, en nu is het tijd voor de rest.