Vrijemeningsuit(buit)ing
Artikel gepubliceerd op 19 februari 2019 om 11:30

© Laura Bossaer

Door Lien Delabie

Een artikel schrijven over een gevoelig thema is geen sinecure. Soms doorbreek je vaste waardepatronen die sommigen al sinds jaar en dag als sacraal en robuust beschouwen. Wereldbeelden worden omgekieperd, vaste structuren worden aangevallen en een moeilijk debat schuilt om de hoek. Er moet nagedacht worden. Schrijf zo’n artikel dan nog eens op een vrije universiteit en je stoot al snel op het paradepaardje van de VUB: het vrije denken.

In 1834 werd de Université libre de Bruxelles gesticht door Pierre-Théodore Verhaegen. Het was een tijd van verzuiling met een Victoriaanse tijdsgeest die doorsijpelde tot in onze geliefde stad: “bah vrije seksualiteit”, “bah antiklerikaal denken.” Onze goede Sint had genoeg van de inmenging van het christendom in het universiteitsbestuur, dus besloot de man dan maar om zijn eigen vrijdenkende universiteit te stichten. In 1969 kregen we een Nederlandstalig afknipsel ervan. Het resultaat: bijna vijftig jaar vrij denken in onze eigen taal.

Het is niet meer dan terecht dat we dat vrije denken zo hoog in het vaandel dragen. Het maakte onder meer de abortus- en euthanasiewet mogelijk, iets wat quasi ondenkbaar is als je je halsstarrig vasthoudt aan het christelijke denken. Maar wat is dat vrije denken dan? Ik kan daar vrij diep over nadenken, maar vraag het toch maar eens aan het liefste vat van kennis voor de student: Wikipedia. Die vertelt me dat vrijdenken de opvatting is “dat men zich in het denken uitsluitend door de rede, wetenschap en logica laat leiden en niet door (autoriteits)geloof of traditie.” Wat ‘de rede’, ‘logica’ en ‘wetenschap’ dan wel mag zijn, is iets waar ook hedendaagse filosofen mee worstelen. Een problematische definitie dus.

Uiteraard is het je goed recht om bepaalde zaken overdreven te vinden, maar het wordt natuurlijk wrang als de weerwoorden daar stoppen

Voor sommige mensen is het heel redelijk om ‘s ochtends préparé op je boterham te smeren. Zelf vind ik dat een afgrijselijke gedachte: meer dan koffie en een boterhammetje met crunchy speculoospasta heb ik ‘s ochtends niet nodig. Anderen vinden het dan maar weer logisch dat er frieten aangeboden worden in de studentenresto, terwijl Elke Van Hoof, professor klinische psychologie, dan weer denkt van niet. De logica en de rede zijn vaak hoogst individueel bepaald. Misschien zit het vrijdenken hem juist in de ontmoeting tussen die vele individuele redes en logica’s? Natuurlijk zijn frieten voor mij een basisbehoefte, maar misschien heeft Elke Van Hoof nieuwe, verrijkende ideeën die ik nog niet ken. Het denken lijkt zich alsnog te onderwerpen aan ieders persoonlijke ideologie waarvan hij/zij/hen overtuigd is dat het de juiste is.

Desalniettemin vertelden studenten rondom me steevast dat “we nog altijd een vrije universiteit zijn waar veel nagedacht wordt” of dat “we op bepaalde vlakken achteruit gaan in vrijzinnigheid.” Het zijn woorden die vaak vallen als er verzet is op onze unief tegen deze of gene kwestie. Dat vrije denken van de militanten wordt ‘overdreven’ genoemd of ‘probleemzoekerij’. Uiteraard is het je goed recht om bepaalde zaken overdreven te vinden, maar het wordt natuurlijk wrang als de weerwoorden daar stoppen. Waarom is het overdreven? Is de kwestie niet genoeg wetenschappelijk gegrond? Tast het bepaalde waarden aan? Het zijn geen evidente vragen, maar er moet wel goed over nagedacht worden.

Debatten mogen niet stoppen met het hardvochtig verdedigen van je standpunt onder het mom van vrijdenken. Laten we het debat niet eindigen bij “het is een traditie” of “ik zie het probleem niet,” want dat is net wat het vrije denken niét is. Als we het vrije denken dan toch moeten definiëren, zou ik het verwoorden als het onbevangen bevragen van je eigen vooroordelen en visies op waarheid. Vrijdenken is een strijd, geen wapen.