VUB-personeel opgebrand
Artikel gepubliceerd op 30 maart 2018 om 08:00

© Steven Geusens

Wanneer je tegen een muur aanloopt

Proffen spenderen gemiddeld maar liefst 53 uur aan hun werk en dat kan leiden tot stress en burn-outs. Maar ook het technisch personeel staat steeds meer onder druk door onder meer grensoverschrijdend gedrag van leidinggevenden. De VUB zet een eerste stap in de goede richting met de oprichting van een stuurgroep welzijn, maar er is veel werk voor de boeg om de te verhinderen dat werknemers steeds sneller uitgeblust geraken.

Eén op de acht Vlaamse werknemers heeft last van klachten die kunnen leiden tot een burn-out. Dat is het besluit van een onderzoek uitgevoerd door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), waarvan de resultaten eerder deze maand publiek werden gemaakt. Niet geheel onverwachts blijken onderwijzers volgens het onderzoek het meest gevoelig voor deze klachten. Ook op de VUB hoor je steeds vaker dat proffen er even tussenuit gaan omdat ze afgemat zijn en zich opnieuw moeten opladen of dat personeelsleden uitvallen omwille van een te hoge werkdruk. Jo Coulier, hoofdafgevaardigde van het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) aan de VUB, bevestigt de stellingen van het onderzoek van SERV en stelt dat de conclusies niet anders zijn aan onze universiteit. “Ik werk al geruime tijd aan de VUB en op basis van de gesprekken die ik wekelijks voer, kan ik zeggen dat de werkdruk op de VUB in de voorbije decennia immens is gestegen en de laatste tien jaar is dat steeds sneller beginnen toenemen.” Vandaag de dag is de strategie van de VUB te veel gericht op het behandelen van individuele gevallen en mist het een globale aanpak, aldus Coulier. “Er is op dit ogenblik geen structureel beleid op de VUB om werkdruk te verminderen, momenteel is het dus dweilen met de kraan open.”

"Er zijn regelmatig mensen die op mijn bureau komen om raad te vragen, maar eerst even moeten uithuilen, ik verschiet daar niet meer van"

Jo Coulier

© Kartoenist

Concurreren tot je crasht

Volgens Jo Coulier van het ABVV en Tania Stadsbader, hoofd van het Algemeen Christelijk Vakverbond aan de VUB (ACV), zijn er verschillende oorzaken voor een verhoogde werkdruk, zoals een gebrekkige aanpak inzake leidinggevenden binnen verschillende diensten en het steeds vaker inzetten van jobstudenten als surrogaat-werknemers. De grootste boosdoener blijft toch het hoofd van de universiteit zelf: de Vlaamse overheid. Sinds de jaren negentig is er binnen de Vlaamse overheid sterk ingezet op de deregulering van universiteiten en is men universiteiten meer en meer gaan beheren als een bedrijf. Dat had als gevolg dat het management steeds meer doelstellingen begon op te leggen aan haar personeel, zo stellen de vakbondsafgevaardigden. “Als je meer doctoraten en onderzoeksmiddelen uit de privé kan halen komt dat zogezegd uzelf en de universiteit ten goede. Zo moet je altijd maar meer presteren om aan die verwachtingen te voldoen. Moesten Einstein en Curie vandaag de dag beoordeeld worden met de huidige criteria, dan zouden ze ontslagen worden omdat ze niet genoeg presteren”, aldus Coulier.

Daarboven werd er in 2008 een nieuw financieringsdecreet ingevoerd dat universiteiten financiert uit een min of meer gesloten enveloppe op basis van hun academische output. Dit wil zeggen dat als je meer middelen wil als universiteit, je het beter moet doen dan de andere instellingen. Zo kan het zijn dat een universiteit meer output creëert dan het jaar ervoor en er meer studenten zich inschrijven in jouw instelling maar je toch overheidsfinanciering verliest, gewoon omdat alle andere universiteiten nog sterker zijn gegroeid. Coulier stelt dat zo’n model waarbij groepen tegen elkaar worden uitgespeeld voor een gesloten enveloppe geld, zich vandaag de dag uit tot op het niveau van individuele personeelsleden. "De laatste jaren werd dat financieringsmodel steeds verder doorgetrokken binnen de universiteit. Tegenwoordig is het zo dat zo’n concurrentiemodel doordringt tot op het niveau van de faculteiten, de onderzoeksgroepen en zelfs individuele professoren. Iedereen is concurrent van elkaar, waardoor je mensen tot het uiterste drijft en dat veroorzaakt burn-outs en langdurige uitval”, aldus Coulier.

"Moesten Einstein en Curie vandaag de dag beoordeeld worden met de huidige criteria, dan zouden ze ontslagen worden omdat ze niet genoeg presteren"

Jo Coulier

In de jaren negentig voerde de federale overheid een welzijnswet in zodat sinds een tiental jaren instellingen verplicht zijn om minstens één maal om de vijf jaar een analyse ‘psychosociaal welzijn’ uit te voeren. In 2013 werd deze analyse voor de VUB uitgevoerd door de externe preventiedienst Attentia en toen al waren er duidelijke signalen dat de werkdruk bij het personeel op de universiteit problematische proporties begon aan te nemen. Zo ondervond 47 procent van de respondenten hun werktempo als problematisch en bijna negentig procent van het personeel antwoordde op de vraag over de mate van blootstelling aan geestelijke belasting ‘hoog’ tot ‘zeer hoog’. Attentia deed ook onderzoek naar de blootstelling aan risicofactoren die het welzijn op het werk negatief beïnvloedden. Vijftien procent van de geënquêteerden ervoer een problematische blootstelling aan pesten op het werk. Op de vraag in welke mate de personeelsleden werden blootgesteld aan ‘agressie, conflicten met collega’s’, ‘agressie, conflicten met directe leiding’ of ‘ongewenst seksueel gedrag op het werk’ antwoordde ongeveer twee procent op elk van deze stellingen hoog tot zeer hoog. Ook dit jaar zal er opnieuw zo’n analyse worden uitgevoerd, hetzij in een andere vorm, maar Coulier verwacht niet dat de resultaten veel beter zullen zijn. Coulier: “Ik ben er vrij zeker van dat die cijfers gestegen zullen zijn. Elke week meldt een nieuwe persoon zich aan op mijn bureau met klachten over grensoverschrijdend gedrag. De afgelopen jaren blijft dat aantal maar toenemen. Er zijn regelmatig mensen die op mijn bureau komen om raad te vragen, maar eerst even moeten uithuilen, ik verschiet daar niet meer van." Ook Stadsbader van het ACV moet regelmatig werknemers opvangen die te maken kregen met grensoverschrijdend gedrag op de VUB, veelal van hun directe leiding. Stadsbader: “Dat kan gaan over intimidatie, over dreiging of over het vernederen van mensen en vragen om last minute een reis te annuleren. Dat kan zelfs gaan over seksistische en soms racistische opmerkingen. Vorige week zijn er zo op één week tijd een vijftal personeelsleden naar mij toe gekomen met klachten over grensoverschrijdend gedrag, dat is veel als je weet dat ik aan de VUB een vakbond vertegenwoordig met een bescheiden aantal leden.

Proffen uitgeblust

De veranderingen die werden doorgevoerd na de analyse van 2013 volstonden voor velen niet en er was een vraag om diepgaand onderzoek te doen naar de grieven van het personeel op de VUB. In eerste instantie werd ervoor gekozen om specifiek onderzoek te doen naar het zelfstandig academisch personeel (ZAP), namelijk de docenten, hoofddocenten, hoogleraren en gewoon hoogleraren. In 2016 lanceerde Ignace Glorieux, professor Sociologie aan de VUB samen met socioloog en onderzoekster Julie Verbeylen op verzoek van de rector een tijdsbestedingsonderzoek voor het ZAP. Wanneer het rapport werd gepubliceerd in januari 2017 konden de onderzoekers vaststellen wat ze al vermoedden: professoren werken veel, heel veel. Een professor spendeert gemiddeld 53 uur van zijn tijd aan werk voor de universiteit waarvan een groot deel, namelijk maar liefst 14 uur op afwijkende tijden zoals ‘s avonds, ‘s nachts en in het weekend. Het academisch personeel besteedt zo beduidend meer tijd aan zijn werk dan de gemiddelde Vlaming: 53 werkuren tegenover 38.

“Gisteren was het één uur ‘s nachts. Op het moment zelf heb je dat niet echt door, maar je voelt wel dat je lichaam dat niet blijft verdragen"

Mannelijke docent, focusgesprek
Ignace Glorieux, professor Sociologie    
© Kilian Adriaenssens

Er zijn verschillende redenen waarom academisch personeel zoveel uren klopt. Één daarvan is de aard van hun werk. Professoren ervaren hun job als een passie waarvan ze hun beroep hebben kunnen maken en dat zorgt ervoor dat ze zich soms tot het uiterste inspannen voor die zogenaamde roeping. Die vaststelling werd ook gedaan in het tijdsbestedingsonderzoek van Glorieux en Verbeylen. “Het academisch personeel doet zijn werk graag. Proffen voelen zich sterk verbonden met de VUB, maar je merkt dan toch dat die tijdsbesteding aan hun werk soms schrijnende vormen aanneemt. Werken is voor veel academici hun leven. In de focusgesprekken die gevoerd werden in functie van het onderzoek zei iemand: 'mijn sociaal leven, dat bevindt zich op de universiteit’. Het is niet omdat mensen gelukkig zijn met hun job, dat er geen probleem is of dat je op een bepaald moment niet tegen een muur aan kan lopen”, aldus Glorieux. De focusgesprekken die toen gevoerd werden, bevestigden dat idee. Zo spreekt een mannelijke docent in het onderzoek over die drive die hem tot het uiterste drijft: “Gisteren was het één uur ‘s nachts. Op het moment zelf heb je dat niet echt door, maar je voelt wel dat je lichaam dat niet blijft verdragen.” Ook een vrouwelijke hoofddocent beaamt dit: “Wetenschappers hebben sowieso al een grote intrinsieke drive, anders begin je ook niet aan een doctoraat of aan deze job. Dat maakt, in combinatie met die flexibiliteit, dat men gemiddeld meer gaat werken. Meer dan misschien goed voor ons is.”

Julie Verbeylen, socioloog en onderzoeker aan de VUB    
© Kilian Adriaenssens

Toch zouden proffen het niet aanvaarden als iemand hun werkweek aan banden zou leggen, zo stelt Ignace Glorieux:  "Paul De Knop zei dat zelf tijdens zijn carrière als rector: 'als ik professoren verplicht maximaal 37,5 uur te werken dan zouden het de professoren zelf zijn die als eerste in opstand komen.’ En ik denk dat hij gelijk heeft. Het probleem is dat ons beroep niet afgelijnd is, het kan altijd beter. Het is zoals een sport: je wil altijd je record verbreken, je gaat altijd maar verder totdat sommigen tegen een muur lopen." Professoren zouden dus vooral hun eigen grootste vijand zijn volgens Glorieux: “De gedachte heerst bij hogeropgeleiden, hier bij uitstek, dat je druk bezig moet zijn. Je moet 's avonds en in het weekend gewerkt hebben, voor de omgeving maar ook voor jezelf. Een weekend niet werken, dat kan gewoon niet.”

Ook de drang van professoren om steeds meer te publiceren om zo meer financiering binnen te halen voor de universiteit is eerder een cultuurfenomeen en die middelen zijn geen noodzaak voor de universiteit, zo stelt Glorieux: "Het idee dat je moet publiceren om aan geld te komen is zowat zijn eigen leven beginnen leiden, eigenlijk tellen die voor niet zo veel mee in het financieringsmodel. Alle universiteiten zitten zowat aan de bovengrens van financiering door publicaties en doctoraten. Daarenboven mag geld geen doel zijn, het is een middel om aan onderzoek te doen, maar nu wordt die redenering omgedraaid." Die drang naar publicaties en doctoraten maken volgens glorieux dat er soms absurde situaties ontstaan: “In onze faculteit worden er steeds meer joint-Phd’s afgeleverd samen met internationale universiteiten, maar op den duur wordt dat echt een koehandel. Ik hoor van doctoraten waarbij de verdediging gebeurt in een vreemde taal die de co-promotor, die het doctoraat moet verdedigen, niet begrijpt. Maar waarom zou je dat afwijzen als je er punten of geld voor krijgt of als je promotie ervan afhangt? Waar zijn we dan eigenlijk nog mee bezig?"

Een “warme universiteit”

Werknemers op de VUB kreunen onder de werkdruk, maar het is niet alleen kommer en kwel. Een speerpunt van Caroline Pauwels is het creëren van een warme en inclusieve universiteit, wat ze begin dit jaar nogmaals herhaalde in haar nieuwjaarsspeech: “Laten we goed voor elkaar zorgen. Met onderling respect, waardering en vriendelijkheid.” Om uit te zoeken wat ‘een warme universiteit’ dan wel mag inhouden, werd er begin dit academiejaar een stuurgroep welzijn opgericht met aan het hoofd Elke Van Hoof, professor gezondheidspsychologie en klinisch psychologisch interveniëren aan de VUB met specialisaties in onder meer stress en burn-out. Momenteel bestaat het team uit zes personen en hun doel is vooral te luisteren naar de verschillende geledingen binnen de universiteit om dan in het najaar van 2018 een welzijnsplan voor te leggen aan de rector met mogelijke oplossingen. Elke Van Hoof: "Er is zowel een shift nodig op persoonlijk vlak als op vlak van de universiteit zelf. De organisatie moet de best mogelijke context creëren waarin de werknemer als een goede huisvader zijn contract beheert. Het is aan ons als organisatie, en dus ook met dit welzijnsplan, om over deze zaken te sensibiliseren om die cultuurshift op gang te brengen. We willen met de stuurgroep zo veel mogelijk verhalen van de mensen op de werkvloer bijeen brengen om draagkracht te creëren bij de hele universitaire gemeenschap, gaande van proffen tot studenten." De stuurgroep heeft net een eerste open brainstormsessie gehouden, voor concrete invullingen of oplossingen is het dus nog te vroeg.

"Slechts een derde van alle assistenten die starten zullen mogelijks een positie kunnen bemachtigen als prof en dan zelfs niet allemaal aan de VUB. Dat is hard"

Elke Van Hoof
Elke Van Hoof, stuurgroep welzijn    
© Alan Jockmans

Ze erkent ook dat het huidige concurrentiemodel een belangrijke oorzaak is van de verhoogde werkdruk op universiteiten, “maar het is roeien met de riemen die we hebben”. “Dat concurrentiemodel is niet alleen hard voor onze proffen maar ook voor onze assistenten. Slechts een derde van alle assistenten die starten zullen mogelijks een positie kunnen bemachtigen als prof en dan zelfs niet allemaal aan de VUB. Dat is hard, maar dat is de realiteit. Het maakt ons kwetsbaar voor werkdruk, maar ook voor conflicten en grensoverschrijdend gedrag. In een setting waarbij twee honden vechten om één been loopt de derde ermee heen, en dat gaat er niet altijd even vriendelijk aan toe. Vandaar dat de universiteit al ettelijke jaren inzet op correct gedrag, op waarden en normen. We zullen daar nog veel meer stellingen tegen moeten zetten, maar we kunnen niet voorbij dat gegeven.”

Hoewel het plan nog een lange weg heeft af te leggen, zijn er al een aantal zaken die er zeker in zullen komen volgens Van Hoof. Zo stelt ze dat er op de VUB al heel wat projecten worden opgezet met betrekking tot welzijn, zoveel zelfs dat het niet altijd eenvoudig is om “door de bomen het bos te zien”. De focusgroep wil met hun beleidsplan ervoor zorgen dat personeelsleden de juiste informatie vinden over de verschillende organen waar ze terecht kunnen met problemen omtrent welzijn. Van Hoof: "In eerste instantie kunnen ze daarvoor terecht bij hun collega's en de decaan. In tweede instantie dienst preventie, bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon of ook de externe preventieadviseur. In derde instantie bestaat er een dienstverlening, ondersteund door Jan Den Haese die kan kijken of er extra maatregelen moeten genomen worden." Volgens Stadsbader leiden de interne instanties vooral de aandacht af van het correcte aanspreekpunt. Stadsbader: “Er wordt verwezen naar andere instanties zoals vertrouwenspersonen of het meldpunt, die de aandacht afleiden van het orgaan dat hier wettelijk voor bevoegd is, de externe preventieadviseur. Daarnaast zijn sommigen gewoonweg te bang om hulp te zoeken binnen de universiteit. En dan hebben we nog niet gesproken over sommige leidinggevenden die op het randje zitten van grensoverschrijdend gedrag, of die volledig verkeerd omgaan met ziek personeel. Op vraag van de vakbonden bestaan er nu wel cursussen voor deze leidinggevende om zich hieromtrent bij te scholen.”

"Er zijn leidinggevenden die echt niet goed omgaan met hun mensen, maar ook daar doet men niets aan. Daar heeft de VUB heel lang de struisvogelpolitiek toegepast"

Jo Coulier

Wanneer men spreekt over een stijgende werkdruk op de universiteit wordt de focus al snel gelegd op academisch personeel, maar ook het algemeen technisch personeel kent een toename van werkdruk en grensoverschrijdende gevallen binnen de werksfeer. Ook daar speelt de onderfinanciering van het hoger onderwijs hen parten waardoor diensten, waarbij de complexiteit van het werk toeneemt, het met steeds minder moeten doen. Op de koop toe zijn er dan nog specifieke diensten waar het niet goed zit met leidinggevenden, wat de situatie alleen nog maar drukkender maakt. Coulier: "We zeggen met de vakbonden al heel lang dat de manier waarop problemen met leidinggevenden worden aangepakt een knelpunt is aan de VUB. Er zijn leidinggevenden die echt niet goed omgaan met hun mensen, maar ook daar doet men niets aan. Daar heeft de VUB heel lang de struisvogelpolitiek toegepast en zo creëer je een situatie waarin competente werknemers vertrekken. Heel veel van de problemen waarmee werknemers naar ons toekomen, hebben te maken met ongepast gedrag van leidinggevenden. Die personen in leidinggevende functies doen dat niet altijd opzettelijk, soms is dat uit onwetendheid. Zij hebben dan niet het juiste inschattingsvermogen om de hoeveelheid werk van bepaalde zaken in te schatten. In zo’n gevallen is het vooral een kwestie van elkaar beter begrijpen. Maar dan moeten leidinggevenden aan tafel willen gaan met ons en die cultuur bestaat hier niet; sommigen gooien gewoon de telefoon toe als wij hen opbellen. Anderzijds hoeft het niet zo te zijn dat, wanneer je een slechte leidinggevende vervangt op de VUB, alles per se beter zal worden. Die dingen moeten hand in hand gaan met grotere beleidsplannen." Stadsbader ziet daarboven nog eens dat deze diensten een tekort aan ervaren personeel probeert op te vangen met het aanbrengen van studentenjobs, wat de zaken alleen maar erger maken: “Bij sommige diensten proberen ze dat tekort aan personeel in te vullen door met heel veel, wisselende studentenjobs te werken maar die moeten dan weer begeleid worden door iemand die zelf al overwerkt is. Zo creëer je een vicieuze cirkel van een werkdruk die alsmaar toeneemt bij het vast personeel.”

Eyeopener

Op het einde van het onderzoek van Glorieux en Verbeylen konden alle participanten het dagboek inkijken dat ze moesten bijhouden voor de enquête. Dat was volgens Verbeylen een echte eyeopener voor sommigen omdat ze beseften hoeveel ze nu wel degelijk bezig waren met hun werk, en omdat ze daardoor inzagen dat ze eigenlijk geen vrije tijd meer hadden. Dat de problemen die aan de basis liggen van zulke burn-outs niet van vandaag op morgen zullen verdwijnen, is duidelijk. Er zijn nog veel obstakels die moeten worden overwonnen, maar de oprichting van de stuurgroep van Elke Van Hoof lijkt een eerste stap in de goede richting. Volgens professor Van Hoof zijn de uitdagingen voor een universiteit uniek, maar zo ook haar oplossingen: “Het mooie aan een universiteit is dat we hier de neiging hebben om tot oplossingen te komen door samen te werken en tot een consensus te komen. Daardoor gaan we trager vooruit, maar we gaan vooruit en ik denk dat dat de kern van de zaak is.”