“Proffen zijn zoals hamsters in een bureaucratische tredmolen geworden”
Artikel gepubliceerd op 12 maart 2018 om 13:23
Jonathan Holslag    
© Emily Schennach

Interview met VUB-professor Jonathan Holslag

Door Maud De Vos
 //This article was also translated to English. Read the English version with this link. //

Jonathan Holslag is professor Internationale Betrekkingen, gespecialiseerd in China en bijzonder adviseur van de eerste vicepresident van de Europese Commissie, Frans Timmermans. Hij is medeoprichter van het Brussels Institute of Contemporary China Studies (BICCS) dat verbonden is aan de VUB en is naast auteur van meerdere boeken ook een veelbesproken opiniemaker. Een gesprek over de toekomst van de universiteit, zichzelf en onze samenleving.

Holslag is geen onbesproken persoon aan de Vrije Universiteit en in het maatschappelijke debat. Ondanks dat hij, naar eigen zeggen, nog groen ziet achter zijn oren, is het tijd voor een rustpauze. Reden temeer voor een gesprek. Een interview over zijn haat-liefde-verhouding, maar wel hechte band met de VUB. Maar ook over vrije meningsuiting, hoge werkdruk, democratisering en polarisering. “Je krijgt geen geld om studenten te buizen”

Je bent niet onbesproken als onderzoeker, probeer je die provocatie op te zoeken?

“In eerste instantie ben ik Jonathan Holslag en mijn leven beperkt zich niet tot de universiteit. Ik vul mijn deel van het menselijk bestaan met onderzoeksactiviteiten die moeten leiden tot papers, boeken en dergelijke meer, maar ik ben ook een burger, vader van twee dochters en ik heb een zekere bezorgdheid over de toekomst en de ontwikkelingen in onze samenleving. Dus als ik standpunten inneem doe ik dat zeker niet alleen als academicus. Als ik, om het meteen daarover te hebben, een voorwoord wil schrijven in een boek van een partijvoorzitter van extreemrechts, dan doe ik dat niet als onderzoeker-politicoloog. Dan doe ik dat in eerste instantie omdat ik, als bezorgde burger met een aantal ideeën, de kans krijg om deze te brengen naar een groep mensen in de samenleving die wij anders niet bereiken. Het was misschien een voorwoord, maar het was een héél kritisch voorwoord. Mijn uitgangspunt is steevast: de VUB beschouw ik niet als mijn werkgever, de samenleving is mijn werkgever.”

Dus u vindt niet dat u altijd in uw achterhoofd moet houden dat u ergens wel in naam van de VUB spreekt?

“Ik ben 7,4u/dag VUB-er, dat staat zo in het arbeidsreglement. We leven niet meer in de tijd van de lijfeigenen waar we voor ons doen en laten afhangen van een broodheer. Ik denk ook niet dat dat verwacht wordt. Ik heb de voorbije jaren op geen enkel moment de indruk gehad dat mij een halt werd toegeroepen door de rector of onze decaan. In tegendeel, ik vind dat Caroline (Pauwels, nvdr.) en Joël (Branson, decaan faculteit ES, nvdr.) mij daar net heel erg in hebben aangemoedigd. Ik ben ook vertegenwoordiger bij Frans Timmermans en ik ben soms bijzonder kritisch, ook ten aanzien van de Europese commissie. Zij roepen mij ook niet op het matje om mij de mond te snoeren. Wel vind ik dat als wetenschapper aan de slag zijn een aantal regels met zich meebrengt die je moet respecteren. Maar als opiniemaker heb ik heel wat andere regels, hetzelfde geldt als ik reportages maak. Dat maakt het leven net zo verdomd interessant.”

Heb je het dan moeilijk met de kritiek die je toch krijgt? Zoals bijvoorbeeld toen een resem collega’s een open brief schreven na je voorwoord voor Tom van Grieken.

“Ik heb het daar totaal niet moeilijk mee. Het enige wat ik moeilijk vond aan het stuk van Eric Corijn is dat hij heel ad hominem ging. Dat vind ik gewoon niet netjes, zoiets doe je niet. Maar met inhoudelijke kritiek heb ik totaal geen problemen. Dat is net de kracht van een universiteit en ik geloof dat die academische frictie leidt tot creativiteit die ons scherp houdt. Mensen mogen kritisch zijn ten opzichte van mij, maar ik vind wel dat je het debat integer en hoffelijk moet voeren. Wat ik wel contradictorisch vind, is dat mensen als Eric Corijn, waar ik overigens veel respect voor heb, zich aan de ene kant opwerpen als de gangmakers van de verdraagzaamheid en het ruim denken. Maar anderzijds in hun reacties net heel onverdraagzaam kunnen zijn. En eigenlijk relatief weinig inspanning leveren om een brug te slaan, te begrijpen vanwaar die frustratie komt.”

"Je ziet mensen met de beste intenties afstuderen, om dan in het beste geval te belanden ergens op een ambtenarenstoel."

Jonathan Holslag

Mijn land, schoon land

U sprak in het verleden over een cultureel verval in België, waarom is daar volgens u sprake van?

“Ik heb het niet zozeer over het totaal afwezig zijn van cultuur. Die uitspraak is vooral een argument uit de richting van de nationalisten. Mensen die zeggen: we moeten alles zo lokaal mogelijk houden en liefst zo weinig mogelijk nieuwkomers toelaten om te beschermen wat we hebben. Dan stel ik mij de vraag: wat beschermen we? Wat is die Vlaamse of Belgische cultuur die we proberen verdedigen? Op welke manier wordt die nog uitgedragen door onszelf? Hetzelfde als mensen spreken over het verdedigen van onze vrijheden, rechten en principes, terwijl er nog maar heel weinig mensen zijn die deze principes daadwerkelijk uitdragen. Ik vind die tradities heel waardevol, maar alvorens we de dreiging identificeren, moeten we zelf misschien iets meer inspanning leveren om die dingen overeind te houden. Al zeker de positieve kern ervan. Dragen we nog uit wat we denken te moeten verdedigen?  Ik vind nog altijd dat wij, ondanks alle gebreken, in de mooist mogelijke samenleving op aarde leven. Ik vind Europa de mooiste regio ter wereld. Waar anders heb je de vrijheid en diversiteit om de discussies te voeren die we hier voeren? Dat klinkt misschien een beetje melig en nostalgisch, maar dat is zo. Er zijn veel mensen die zich nu blindstaren op de groei in Azië. Ik ben blij dat ik mag reizen, maar het is pas als je iedere keer terugkomt dat je begint te beseffen wat we hier hebben. Ik vind het een beetje jammer dat dat besef bij heel veel jonge mensen weg is. Ze beschouwen het allemaal als een evidentie.”

Mossel noch vis

U opperde onlangs dat er, misschien mede door die grote groepen en verhoogde anonimiteit in de aula, een te grote tweedezit-mentaliteit onder studenten is en dat we de competitiedrang aan het verliezen zijn.

“Volgens mij is de taak van een universiteit het vormen van het intellectuele leiderschap van morgen. Dat klinkt misschien een beetje pretentieus, maar in elke samenleving heb je mensen nodig die middels hun wijsheid, kennis, inzichten en analytische vaardigheid de leiding nemen in het debat. Wil dat daarom zeggen dat een bakker of boer voor mij minderwaardig is? Neen. Zij kunnen evenzeer deel uitmaken van die elite middels de vaardigheid of schoonheid die ze voortbrengen. Maar je hebt in een samenleving ook een groep intellectuele leiders nodig die voor een groot deel aan de universiteit worden gevormd. Tegelijkertijd heb je te maken met een samenleving die niet altijd even gelijk is. Ik ben een resultaat van die samenleving. Ik denk dat ik een typisch voorbeeld ben van een achterstandskind. Dus wie ben ik om te zeggen dat we niet moeten democratiseren? Wat mijn kritiek is, is dat democratisering niet gelijk is aan zoveel mogelijk studenten naar de universiteit te halen. Democratisering is vooral mensen met een talent, die om verschillende redenen iets minder geprivilegieerd zijn, de kans geven om hun achterstand in te halen. Dat doen we dus helemaal niet. Onder andere omdat de groepen studenten groter en groter worden en er minder tijd is om te remediëren. Ik heb vorige week meer dan 100 mondelinge examens afgenomen en dat is eigenlijk mijn eerste individuele contactmoment met de studenten. Na dat korte evaluatiemoment gaan ze weer op in de massa en is er eigenlijk geen begeleiding meer om sommige studenten net dat extra duwtje  te geven om het nog beter te doen. Dat vind ik verschrikkelijk. Dat wij als proffen, ondanks die waan van democratisering die we onszelf voor de geest halen, eigenlijk mossel noch vis bewerkstelligen. Voor een stukje durf ik mee te gaan in de idee van schaalvergroting, maar dan moeten we veel beter en kritischer nadenken over hoe we om gaan met de winst. Hoe we die winst effectief kunnen gebruiken om de mogelijk heel goede studenten meer kansen te bieden.

Ook gaat ongeveer 30 tot 40 procent van het geld dat we krijgen voor onderwijs naar logistiek en administratie. Dat is gigantisch, terwijl iedereen klaagt over mediocre dienstverlening. We moeten dat administratieve beslag terugdringen zodat studenten het geld krijgen waar ze recht op hebben. En net zoals er kwaliteitscontrole bestaat op onderwijs zou er ook een kwaliteitscontrole moeten bestaan op de centrale diensten. Ook is sinds 2010 het aantal ZAP’s (zelfstandig academisch personeel) gelijk gebleven, en er zijn 108 ATP’s (administratief en technisch personeel) bijgekomen, je maakt van je universiteit een bureaucratie. Zo kunnen je ZAP’s gewoon niet meer van hout pijlen maken omdat ze langs alle kanten worden belaagd met regels en commissies. Proffen zijn een beetje zoals hamsters in een bureaucratische tredmolen gekomen en ik word daar heel opstandig van. Ik vind de manier waarop we aan Vlaamse universiteiten proffen behandelen op het randje van het mensonwaardige af en toe.”

"Aan mijn vrouw heb ik in ieder geval moeten beloven: voor mijn 40e geen politiek.”

Jonathan Holslag

Vindt u dat die druk ook te maken heeft met de werkdruk? Want u moet én lesgeven én studenten begeleiden én publiceren.

“Schrijven is eigenlijk weekendwerk geworden. Jonge proffen staan ook onder heel hoge druk. Voor iedere prof staan er vijf in de rij om het mandaat over te nemen. We moeten ook stoppen met die regelneverij. Als ik zie in welke comités mijn jonge collega’s zitten, je kan het zo gek niet verzinnen. Dat is niet de kernopdracht van hun job. Heel veel dingen worden ook aangereikt onder het mom van kwaliteitsbewaking, maar proffen onder druk zetten om de lat lager en lager te leggen, is dat kwaliteitsbewaking? Kwaliteitsbewaking is je lat hoog genoeg leggen en er voor zorgen dat je studenten didactisch in staat stelt die lat te bereiken, maar zo wordt er natuurlijk niet nagedacht over kwaliteitsbewaking. Voor een stuk ook omdat dat financieel niet altijd lonend is.”

Van waar komt die druk tot niveauverlaging denkt u?

“De lat in het middelbaar ligt lager, dat merk ik ook bij mijn eigen studenten. Ik vertrek voor mijn vakken vanuit de leerplannen ASO. Als ik een test doe aan het begin van het jaar, dan ligt die kennis op ongeveer 30 procent van wat die leerplannen vereisen. Daarnaast hebben we aan de VUB een superdiverse instroom. We hebben meer leerlingen uit TSO en BSO-onderwijs en anderstaligen dan andere universiteiten. Dit terwijl we niet meer middelen hebben om hen op te vangen. En dan heb je natuurlijk ook de financiële druk. Je krijgt geen geld om studenten te buizen en als laatste zijn er ook meer en meer studentenevaluaties, waardoor de middelmaat de norm wordt. Je laat je proffen evalueren door niet altijd de sterkste studenten. En zo dwing je proffen eigenlijk om hun vak makkelijker te maken.”

Jong en op rust

U hebt een duidelijke visie over de waar de VUB naartoe zou moeten gaan, hebt u dan net geen ambitie om het hogerop te zoeken en mee de VUB opnieuw uit te vinden?

“Ik ben 36 jaar, ik zie nog groen achter m’n oren. Op deze leeftijd begin je het nog maar allemaal een beetje te ontdekken. Ik denk net dat we mensen veel te snel opbranden aan allerlei bestuurlijke verantwoordelijkheden. Ik wil mijzelf nog minstens 5 jaar de tijd en rust gunnen om te studeren, wijzer te worden, te ontdekken en te komen tot mijn eigen analyse van de wereld. Af en toe ben ik misschien heel stellig, maar ik twijfel nog over heel veel dingen. Laat mensen eerst komen tot maturiteit als burger, onderzoeker, als wat dan ook en laat ze dan verantwoordelijkheden nemen. Niets is zo nefast voor een universiteit als jonge mensen met een academische ambitie te transformeren tot bestuurders die ze niet zijn. In godsnaam iemand op zijn 40e tot coördinator van een opleiding of een vakgroep bombarderen dat is misdadig. Dat hoort niet, dat is mensen fnuiken in hun creativiteit. Ook, als ik administratie op mij zie afkomen dan steiger ik. Ik weiger het gewoon, al is dat misschien egoïstisch.”

Is er dan ook op de arbeidsmarkt geen mentaliteitswijziging nodig? Want u zegt: er studeren te veel mensen aan de universiteit, maar wat ben je nog zonder diploma?

“Daar ben ik het volledig met je eens, een universitair diploma biedt nog altijd meer perspectief op de arbeidsmarkt. Dat heeft te maken met een ongunstige evolutie in een aantal beroepsdomeinen, alles wat te maken heeft met handenarbeid wordt compleet wegggemarginaliseerd. Terwijl we net eerherstel nodig hebben voor deze sectoren. Dat is niet het reduceren van mensen tot vakmanschap, ik denk dat je door vakmanschap ook die humanitas kunt realiseren. Ik denk ook dat we moeten nadenken over de bureaucratisering van de samenleving, die is voor niemand gunstig. We zijn alles zo aan het verlammen door regelgeving dat het niet meer vooruit gaat. Ik vind dat we eerder in de richting van minder, maar heel krachtige regels, moeten gaan. Wat maakt dat je iets minder politieke bestuurders en dergelijke zult nodig hebben. Uiteindelijk is de universiteit voor een stuk een reflectie van wat er veel breder in de samenleving zich afspeelt. Als ik de cijfers van de VDAB bekijk voor studierichtingen als sociologie, politicologie, maar ook rechten, bieden die niet altijd zo’n geweldige perspectieven op werk, laat staan kwaliteitsvol werk. Ik denk dat we op die manier heel wat sociaal kapitaal verliezen. Je ziet mensen met de beste intenties afstuderen, om dan in het beste geval te belanden ergens op een ambtenarenstoel.”

Klopt het dat u op sabbatjaar gaat?

“Ja, vanaf volgend academiejaar ga ik er even tussenuit. Gewoon omdat ik het moeilijk heb met de manier waarop we ons academisch onderwijs aanpakken. Ik stel mijzelf meer en meer de vraag of ik met dit engagement effectief het verschil maak. Ik weet van mijzelf, en die reputatie zal ik ook wel hebben, dat ik een redelijk veeleisende docent ben. Omdat ik vind dat het mijn taak is studenten aan te moedigen om, mits begeleiding, zelf te leren analyseren en inzichten op te bouwen in plaats van slides van buiten te blokken. Ik zeg helemaal niet dat ik aan de VUB vertrek, ik vind dit een prachtige universiteit.

Toch zal het een druk jaar blijven. Er komen nog een aantal boeken aan dus mijn  onderzoek blijft verder gaan. Daarna zien we wel verder, het leven is meer dan lesgeven of onderzoeken alleen. Maar ik wil echt benadrukken: deze universiteit heeft een aantal grote troeven, waaronder het gedachtegoed. Maar we moeten ervoor oppassen dat ons gedachtegoed en ook het voluntarisme van onze rector geen façade wordt voor iets wat achterin niet zo goed loopt. Zoals bijvoorbeeld in onze geuzenmentaliteit, het proberen handhaven van het vrije onderzoek en het vrije denken. Fantastisch, maar pas dat alsjeblieft toe op je internationalisering. Ik vind het geweldig om te manifesteren voor de Iraanse ambassade voor een collega, wiens lot verschrikkelijk is, maar als je dan op andere fronten zoete broodjes bakt met autoritaire landen en niet het minste weerwerk biedt om hun propaganda te stoppen dan vraag ik me ook af of je niet met twee maten en gewichten aan het werken bent. We moeten meer doen dan de vrolijke boodschap dat we vrije denkers en geuzen zijn verspreiden en één keer per jaar het geuzenlied zingen. Ik vrees ook dat we vroeg of laat het deksel op de neus gaan krijgen. Je merkt nu al dat de pendel geleidelijk aan het terugzwaaien is van de focus massificatie en kwantiteit naar terug nadruk op kwaliteit. Als we daar niet op anticiperen en ons er niet op voorbereiden dan hebben we wederom, niet de aantallen noch de kwaliteit. Dan riskeert de positie van de VUB op termijn nog meer te verzwakken. Het liefst zou ik nog vier à vijf jaar voortdoen zoals ik nu bezig ben, maar nadien zal ik wellicht een stap verder moeten zetten en verantwoordelijkheden opnemen. Er zijn dingen die mij tegen de borst hebben gestoten en waarvan ik vind dat de VUB vanuit zijn eigen basisprincipes niet mee in het reine kan komen. Maar al bij al, en dat is ook de reden waarom ik vooralsnog niet naar Leuven ben gegaan, zit ik hier heel graag. Aan mijn vrouw heb ik in ieder geval moeten beloven: voor mijn 40e geen politiek.”