Terra Incognita: de ijskelders
Artikel gepubliceerd op 15 januari 2018 om 11:35
De zaal aan de triomfkaan. Dertig meter lang, tien meter diep.    
© Alan Jockmans

Een verborgen parel van de VUB
Door Alan Jockmans
Hoewel campus Etterbeek niet zo groot is, telt het een aantal geheimen die doorheen de tijd vergeten werden. Wie zou er bijvoorbeeld vermoeden dat er zich onder het braakliggend terrein naast de Colruyt twee enorme ijskelders bevinden die dateren uit de 19de eeuw?

Het braakliggend terrein naast de Colruyt.    
© Alan Jockmans

Toen de jonge, doch ambitieuze, VUB in een vlaag van expansionisme een terrein met een vervallen garage tegenover de campus kocht, vermoedde niemand dat hieronder de grootste tot nog toe gekende ijskelders van België zouden liggen. De ijskelders werden één van de opvallendste Urban legends van de VUB en duiken niet zelden op in verhalen van personeelsleden en afgestudeerde kringstudenten (‘Ouwe zakken’ in het jargon), die de tijd nog gekend hebben waarin de studentenverenigingen heersten over het terrein naast de Colruyt. Rond de kelders, waarvan het bestaan de laatste jaren in de vergetelheid raakte, bestaat een waas van onduidelijkheid en geheimzinnigheid. Slechts een handjevol ingewijden kent de ijskelders en nog minder zijn er ooit binnen geweest.

Dit uniek stuk bouwkundig en industrieel erfgoed is onbekend bij een groot deel van de VUB gemeenschap. Dat wil echter niet zeggen dat niemand er zich om bekommert. Een bevlogen fanaat van de ijskelders is VUB kunsthistorica Jeanine Lambrechts. Zij volgt het project al jaren op de voet en heeft reeds verschillende publicaties over de geschiedenis van de kelders op haar naam staan. Een externe firma, Origin, voerde restauratiewerken uit en kijkt in opdracht van de VUB toe op de bewaring van de fragiele ruimtes, die in 1993 werden beschermd als monument. Er zijn verder ook grootse plannen met het bovenliggende terrein: de reclameborden en het onkruid moeten over enkele jaren plaats maken voor een ambitieus bouwproject waarbij ook de ijskelders een rol zullen krijgen.

Een bezoek aan de kelders is niet vanzelfsprekend. Ze worden maar zelden opengesteld voor het brede publiek. Voor mijn bezoek nam ik contact op met architect Erik Hendrickx van Origin, die erg dicht bij de restauratie en bewaring van de ruimtes betrokken is. Een excursie voor Gentse architectuurstudenten in de kelders bleek de ideale gelegenheid om zelf de ijskelders zelf te ontdekken en hun mysteries te ontrafelen. Dit alles om de kelders van hun vergeten positie te bevrijden (en omdat ik er zelf al even naartoe wilde natuurlijk).

De vijvers van Elsene onder een dikke laag ijs. Hier haalde Sommereyns het ijs voor zijn kelders vandaan    

Het koud water uitvinden

Maar vooreerst: wat zijn dat nu, ijskelders? Zoals de naam reeds doet vermoeden zijn het ondergrondse ruimtes waarin ijs wordt opgeslagen. Voor hedendaagse koeltechnieken hun intrede deden, gebruikten zowel huishoudens als de industrie eenvoudigweg blokken ijs om zaken koel te houden. Dat ijs werd verdeeld door ijshandelaars, maar deze hadden uiteraard een plaats nodig om het te bewaren zonder dat het smolt. En waar kon dit beter dan in grote ruimtes onder de grond waar de temperatuur constant blijft?

Het is hier dat de geschiedenis van onze ijskelders begint. Joannes Philippus Sommereyns kocht de grond aan de Waversesteenweg (toen nog Tervuursesteenweg geheten) in 1874 en legde er een jaar later een eerste kelder aan. De man was ondernemer, aannemer, metser en handelaar die reeds enkele kleinere ijskelders had in het Elsense. Het ijs haalde hij uit Brussel zelf. De winters waren toen een stuk strenger dan tegenwoordig en in de koude maanden werden er concessies uitgevaardigd aan ondernemingen om ijs te kappen op bevroren waterpartijen. Sommereyns haalde zelfs verschillende jaren de concessie binnen voor het ijs op de vijvers van Elsene. De kelders aan de Tervuursesteenweg werden ‘Les Glacières Royales’ gedoopt, deze naam verwijst naar de ‘Koninklijke jacht’, zoals dit deel van Elsene toen werd genoemd. Langsheen deze baan hadden zich verschillende kleine en middelgrote ondernemingen gevestigd, waardoor er vraag was naar ijs. Sommerenyns’ ijskelder had succes en groeide uit tot één van de vijf grootste ijsondernemingen van Brussel. In 1894 werd een tweede kelder gebouwd om de vraag bij te kunnen houden. Aan het einde van de 19de eeuw kwam er een omwenteling in de ijsbusiness: door de ontdekking van een industriële methode om ijs te produceren kon men nu veel gemakkelijker aan het koude nood komen. Dit bood nieuwe perspectieven en Sommerenyns’ zonen breidden in 1895 de onderneming van hun vader uit tot een ijsfabriek met een productiegrootte van 20 ton ijs per dag.

Helaas voor de ‘Glacières Royales’ was productie en verdeling van ijs geen eeuwig leven beschoren. Nieuwe koeltechnieken wonnen na de Eerste Wereldoorlog snel aan belang en het gebruik van ijsblokken verdween. De ijskelders werden in het interbellum half gevuld met grond om er champignons in te kweken. In 1946 werd de voormalige ijsfabriek gesloopt om plaats te maken voor een grote garage met Art- Déco voorhuis, geopend door ene Vander Plaetsen. Hij gebruikte de kelders om afval en smeerolie in te dumpen, die bovenop de aarde en het puin van de oude fabriek kwamen te liggen.

De kelder aan de Waversesteenweg    
© Alan Jockmans

Een kathedraal op de VUB

De vergankelijkheid van moderniteit was het trieste lot dat ook garage Vander Plaetsen ondervond. Tijdens de excursie wijst niets meer op de aanwezigheid van het voormalige Art-Déco gebouw. De laatste resten werden afgebroken in 2015. Ik word binnengelaten op het door houten schuttingen afgebakende perceel door enkele joviale bouwvakkers. Mijnheer Hendrickx, mijn begeleider, was er nog niet net zoals de Gentse studenten. Ik volg de bouwvakkers tot op een grote ‘roofing’ die een groot deel van het terrein beslaat. Hieronder liggen de ijskelders. Het uitzicht oogt mistroostig. De enige zaken die boven het hoge onkruid uittorenen zijn een schoorsteen, een kleine barak, voorzien van de nodige graffiti en uiteraard de onvermijdelijke reclameborden. Na enkele minuten komt iemand van security met de sleutels de gebarricadeerde deur in de barak openen. Dit is de ingang tot de ijskelders.

Direct achter de zware deur ligt de stenen trap die naar de kelders leidt. We lijken meteen honderdtwintig jaar terug in de tijd te gaan. In de stenen trapschacht zijn de enige anachronistische elementen de werfverlichting en de moderne trapleuning die bij de restauratie werd toegevoegd. Tot mijn verbazing is het binnen warmer dan buiten. Een bewijs van hoe goed de temperatuur zichzelf regelt in deze ruimtes. De impressionante gewelfde zaal van dertig meter lang en tien meter diep lijkt wel een ondergrondse kathedraal. Het moet een onbeschrijfelijke verrassing geweest zijn toen de eerste gegadigden van de VUB deze zalen ontdekten in 1980. Bij de aankoop van de grond en bijhorende garage was niemand op de hoogte van het bestaan van deze kelders. Ze waren hoogstens met stippellijntjes aangeduid op de grondplannen en stonden ook niet als ‘glacières’ aangeduid. Nadat de kelders waren ontdekt volgde natuurlijk de volgende vraag: waarvoor werden deze kelders gebruikt? Niemand dacht in eerste instantie dat het hier om ijskelders ging. Het bestaan van de ijsfabriek op het terrein was reeds uit het collectief geheugen verdwenen en de meeste ijskelders die tot dan toe waren gevonden waren eerder klein. In eerste instantie ging men denken aan een kruitkelder (ruimte waarin munitie werd opgeslagen n.v.d.r.). Die conclusie was niet onlogisch gezien de aanwezigheid van verschillende kazernes langsheen de Generaal Jacqueslaan, vroeger niet voor niets ‘Boulevard Militaire’ geheten. De kelders waren in uitzonderlijke staat bewaard, maar werden wel bedreigd door elementen van buitenaf. Er lag daarnaast ontzettend veel aarde en puin. Een restauratie was aan de orde.

De oude garage.    
© CAVA universiteitsarchief

IJsdoop

Tegenwoordig maken de kelders een erg propere, maar lege indruk, wat hun imposantheid ten goede komt. De kelders zijn alletwee dertig meter lang en tien meter diep. Het is ongelofelijk dat deze ruimtes gewoon van de VUB zijn en naast de campus liggen. Dat vooral oud-studenten en personeelsleden de ijskelders nog kennen hoeft niet te verbazen: jarenlang was de bovenstaande garage het terrein van de studentenverenigingen, vooral de Polytechnische Kring (PK) en studiekring Pantheon (nu 'Bru:tecture'). In de ruime zaal van de garage vonden verschillende activiteiten plaats, zowel van studentikoze als culturele aard. In 2003 werd het oude pand omgebouwd en kwam hier een atelier (genaamd ‘Atelier 1015’) voor de architecten.

Men was zich erg bewust van de aanwezigheid van de ijskelders onder de zaal. Er werd dan ook vaak naar verwezen. Of er ook effectief activiteiten plaatsvonden in de kelders zelf is niet geheel duidelijk. Een archiefdocument van een doop van de kring Westland uit 2004 doet alvast vermoeden van wel: hier wordt specifiek over de ijskelders gesproken als locatie van de doop, maar daarmee kan net zo goed de bovenliggende zaal bedoeld worden. Het is echter niet ondenkbaar dat de studenten hun weg naar de kelders uiteindelijk wel gevonden hebben. En als men daar dan toch is, waarom niet meteen cantus organiseren? De studentenactiviteiten droegen alvast bij tot de mythische status van de ruimtes.

“Voorlopig heeft de VUB nog geen uitspraak gedaan over een nieuwe functie voor de kelders”

Erik Hendrickx
De arbeiders inspecteren een lek. Het toestel op de voorgrond moet trillingen waarnemen.    
© Alan Jockmans

De druppel die de kelder deed overlopen

Van bovenaan de trap roept mijnheer Hendrickx me plots toe. Hij is gearriveerd en leidt het groepje studenten uit Gent binnen. Terwijl de studenten zich verspreiden door de kelders neemt hij even de tijd om met me te spreken. Hij wijst me bij het afdalen meteen op de trapleuningen: “Dat is één van de belangrijke zaken die we hebben aangepast. De oude leuningen zaten maar op enkele punten vast en waren erg wankel”. Hendrickx schuift zijn bewondering voor de ruimtes niet onder stoelen of banken en wijst op een aantal bijzonderheden van de ijskelders en de restauratie: “De holle vloer hebben we voor een groot deel moeten vernieuwen. Vele bakstenen waren doorheen de jaren stukgegaan. Het bijzondere is dat er onder de vloer kanaaltjes zitten, waarlangs het smeltwater kon wegstromen.” De stenen koker in de tweede kelder blijkt geen schoorsteen, maar de waterput van de ijsfabriek. De gaten in het dak dienen voor het af en aanvoeren van ijs. Eén ervan dient voor de verluchting en komt uit in de schoorsteen die buiten te zien is.

De restauratiewerken aan de ijskelders zijn intussen voor een groot deel achter de rug, maar daar houdt de opdracht van Origin nog niet op. “Onze belangrijkste taak is nu het opvolgen van de geplande werken op het terrein erboven. De kelders zijn van de VUB, maar de rest behoort toe aan projectontwikkelaar Bouygues, die er een vastgoedproject gepland heeft. Aangezien het hier om een beschermde site gaat, moeten we waken dat het gebouw geen last ondervindt van elementen van buitenaf”, zegt Hendrickx. Hij wijst me op enkele apparaten die op de grond staan, omringd door veiligheidshekken. “Dat is meetapparatuur die moest nagaan of de kelders niet bloot stonden aan de trillingen bij de afbraak van de bovenstaande gebouwen. Eén millimeter trilling is al voldoende voor ons om de werken te laten stilleggen. Opvallend genoeg kregen we vaak een meting van een sterke trilling, vaak ‘s ochtends of ‘s nachts als er niet gewerkt werd. Uiteindelijk bleek dat er door de vochtigheid condensatiedruppels ontstonden die op het apparaat neerploften. Die vochtigheid is eveneens belangrijk. Als deze te sterk zou dalen zouden de bakstenen stukspringen door de zouten die erin zitten. Aan de andere kant zorgt binnensijpelend water ook voor schade. Een druppel die tien meter valt, heeft een zekere inslag. U merkt dat een goed evenwicht in deze oude ruimtes van cruciaal belang is.

Terwijl de studenten ijverig foto’s nemen en notities maken loop ik nog eens rond de kelders met de architect. Ze geven wel een zeer lege indruk. De indruk van een gebouw dat erom schreeuwt om gebruikt te worden, maar noodgedwongen leegstaat. Buiten de moderne trapleuningen, de herstelde vloer en de doorkijkjes naar de kanaaltjes eronder wijst evenwel weinig op een snelle herbestemming van de kelders. Hendrickx: “Voorlopig heeft de VUB nog geen uitspraak gedaan over een nieuwe functie voor de kelders. Zeker is dat ze ergens voor gebruikt moeten worden. Een herbestemming is nu echter nog moeilijk. Om ervoor te zorgen dat meer mensen de kelders binnen mogen, moet er bijvoorbeeld een nooduitgang komen. We zijn van plan om deze zo discreet mogelijk te bouwen naast de ijskelders. Wat er verder met de ruimte zal gebeuren is nog onduidelijk.”

Het afgekeurde project    
© Bouygues

Een ijskelder van 17 verdiepingen

Laat ons hopen dat de ijskelders binnenkort eindelijk de bekendheid krijgen die ze verdienen. Bij het nieuwe bouwproject zal er in ieder geval niet zomaar een torengebouw op worden geplaatst. In de huidige plannen wordt voorzien dat er over de kelders een voetgangersweg komt die de aanwezigheid ervan moet accentueren. Het bouwproject kreeg dan ook niet voor niets de naam ‘Glacière’ mee. “Ik ben zeer blij dat er rekening werd gehouden met de ijskelders in dit nieuwe project”, vertelt Henrdickx. “In de nieuwbouw is ook ruimte voorzien voor de VUB, dat er een bezoekerscentrum zal openen voor de ijskelders met aandacht voor de geschiedenis van de ijsverdeling.” Wanneer het nieuwbouwproject er komt is niet duidelijk. Het vorige plan werd afgekeurd door de gemeenten Etterbeek en Oudergem en kon op veel protest rekenen bij de buurtbewoners. Vooral de voorziene woontoren van zeventien verdiepingen kon op veel tegenstand rekenen. De projectontwikkelaar heeft alvast een aangepaste versie van de plannen ingediend voor goedkeuring.

Ik laat Hendrickx, de werkmannen en de Gentse studenten verderwerken en ga opnieuw naar boven, de frisse winterzon tegemoet. Als alles meezit zijn de ijskelders over enkele jaren open voor het publiek, als deel van het gebouwencomplex ‘Glacière’. Tot dan blijven ze een verborgen parel van de VUB.

Met speciale dank aan Jeanine Lambrechts, Erik Hendrickx, Nele Samson, Isabelle Selleslag en CAVA universiteitsarchief.