Studenten op de barricades
Artikel gepubliceerd op 10 januari 2018 om 15:30

© CAVA Universiteitsarchief

"Decreet in je reet"
Door: Man Jeeus
Dit academiejaar is het exact een halve eeuw geleden dat de mythische protesten van mei ’68 plaatsvonden. We gaan elke editie dieper in op belangrijke studentenprotesten uit de geschiedenis van de universiteit. Deze keer gaan we terug naar het academiejaar 1990-1991, een jaar vol protest tegen het decreet Coens.

 

In 1990 stelde de eerste Vlaamse minister van onderwijs Daniël Coens (CVP) het voorontwerp van het decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap voor. Dit decreet – ook wel mammoetdecreet, herfstdecreet of (C)oensdecreet – hield een globale hervorming van het universitair onderwijs in.

 

Het decreet

Het decreet stelde een totale hertekening van het universitair onderwijs voor, met verregaande normeringen en technische operaties, zoals de invoering van studiepunten. Het voorontwerp omvatte 175 artikelen en moest de voorgaande nationale wetgeving terzake vervangen. We zullen ons in dit artikel beperken tot de maatregelen waar de VUB en haar studenten kritiek op hadden. Voornamelijk de structurele maatregelen met financiële impact. De minister wou de inschrijvingsgelden indexeren. De subsidiëring werd niet langer alleen afhankelijk van het aantal studenten per universiteit, maar ook van het aantal studenten per richting, 20 in de kandidaturen (de huidige bachelor), 10 in de licenties (master). Richtingen zonder succes waren zo niet langer subsidieerbaar, succesvolle richtingen konden dat wel worden, mits 60 inschrijvingen in de kandidaturen en 30 in de licenties. Als bovendien meerdere universitaire instellingen de norm niet haalden, werd die universiteit gefinancierd die in de betreffende richting het meeste studenten telde (de fusie van dunbevolkte opleidingen). Bissers met een aantal vrijstellingen werden maar gedeeltelijk financierbaar, en de minister vroeg een verplichte oriënteringsproef in de eerste kandidatuur. Er waren nog vele andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld het inkorten van de studies handelsingenieur tot vier jaar.

Er hing een tikkeltje jaren ’60 mentaliteit in de lucht

Standpunten

De studenten en het bestuur van de VUB waren niet mals in hun kritiek. De indexering van het inschrijvingsgeld kwam voor de VUB-studenten neer op een verhoging, aangezien de VUB op dat moment de enige universiteit was die nog 10.000 BEF (ongeveer 250 euro) vroeg. De universiteit voelde zich bovendien geviseerd. De subsidiëringsnormen per richting hadden veel ingrijpendere gevolgen voor een kleine universiteit dan een grote, waardoor op de VUB ideologisch belangrijke richtingen in gevaar kwamen, en tijdelijk minder bevolkte studierichtingen voorgoed zouden verdwijnen. Het decreet hield ook geen rekening met de Europese wetgeving, terwijl de VUB haar beleid net daarop oriënteerde. De studenten vreesden bovendien dat als bissers maar gedeeltelijk financierbaar zouden worden, rectoren deze studenten op grond hiervan zouden weigeren. Daarnaast vonden ze dat de verplichte oriënteringsproef drempelverhogend werkte voor arbeiderskinderen. De VUB noemde deze maatregel in een persbericht een “pleister op een houten been.”

 

De protesten

De studenten gingen snel over tot de actie. Onder de leuze “Decreet in je reet!” bezetten ze op 6 december 1990 de kruispunten rond de VUB, met alle verkeerschaos van dien. De rijkswacht reageerde met het waterkanon. Volgens de Moeial (jaargang 8, nummer 6) verliep het al bij al naar wens, ondanks het feit dat een aantal studenten er een paar blauwe plekken en geruïneerde kledingstukken aan over hield. Er hing zelfs een tikkeltje jaren ’60 mentaliteit in de lucht. Het was lang geleden dat er zoveel VUB-studenten massaal voor een actie op de been gebracht konden worden, wat de verdwenen samenhorigheid en solidariteit bevorderde. Die solidariteit was zelfs te bemerken bij hun slachtoffers. De automobilisten die geblokkeerd werden, boden de studenten een plaatsje in hun auto aan om te schuilen tegen de “overgeproportioneerde rijkswachtsproeiertjes” (het waterkanon). De Moeial moest wel bekennen dat die sproeiertjes vrij effectief waren en dat studenten op de nationale betoging in Brussel de week nadien dus best aangepaste kledij aantrokken.

Toenmalig burgemeester Brouhon stond niet te popelen voor een manifestatie in zijn stad. Hij had net nog een betoging van boeren te gast gehad. Uiteindelijk kwamen er 15 à 20.000 studenten op af. Ze maakten indruk op de politieke wereld. Volgens het Leuvens studentenblad Veto (jaargang 14, nummer 13) was ook VUB-rector Renneboog aanwezig. De betoging werd rond 16u30 ter hoogte van de Stalingradlaan ontbonden. De onderkoelde studenten zochten onderkomen in één van de omliggende cafés. Een groep van enkele duizenden studenten die er nog niet genoeg van had, trakteerde Coens en het politiekorps op een extra stunt. Ze trokken naar het Zuidstation en bezetten een tijd lang enkele sporen.

De politie voerde versterkingen aan tegen de studenten die verder de Kleine Ring wilden optrekken, en een ketting gevormd hadden. In de Moeial (jaargang 8, nummer 6) stond dat de politie naderde, “ritmisch met de wapenstok op de schilden slaande.” De studenten losten de ketting en zetten het op een lopen naar de trottoirs, of vluchtten de winkels in. De politie dreef de studenten verder richting het kanaal Brussel-Charleroi en slaagde er ter hoogte van de Fabriekstraat in om de studenten te omsingelen. 53 mensen (45 jongens, 8 meisjes) werden meegenomen naar het commissariaat aan de Kolenmarkt. Daar werden nog enkele rake klappen uitgedeeld aan studenten. Een student industrieel ingenieur uit Leuven hield er een gebroken neus aan over omdat de politie dacht dat hij een fles naar hen had gegooid, wat de jongeman ten stelligste ontkende. Even voor middernacht werden de laatste studenten vrijgelaten. Sommigen keerden terug naar hun kot, anderen bleven plakken voor een cantusje.

 


© CAVA Universiteitsarchief

Het protest was evenwel nog niet gedaan. Al op 9 januari 1991 bezetten de studenten samen met hun confraters uit Gent en Leuven de hoofdkwartieren van de Vlaamse meerderheidspartijen CVP, SP en VU. Hun bedoeling was de partijbureaus te bezetten tot de respectievelijke voorzitters hun standpunten ondertekenden. Bij de SP (waar de VUB naartoe ging, volgens de rijkswacht met 20, volgens de organisatoren met 40 personen) verliep alles rustig. Na enkele minuten van bezetting was voorzitter Frank Vandenbroucke al bereid te praten met de bezetters. Uiteindelijk onderschreef de SP bijna alle eisen van de actievoerders. De Volksunie (die de studenten uit Gent op bezoek kreeg) ondertekende het volledige programma. Bij de CVP verliep het minder vlot. Daar greep de Brusselse politie al snel in, waarop enkele KUL-studenten zich opsloten in een bureau. Ze “vergaten” daarbij evenwel het kantoorpersoneel buiten te laten. Ze konden uiteindelijk toch een gesprek met de partijvoorzitter (Herman van Rompuy) versieren, maar de CVP bleef zoals verwacht volledig achter de voorstellen van hun minister Coens staan. De Moeial vermeldde nog dat het bij de SP trouwens veel chiquer was dan bij de CVP.

Op donderdag 24 januari was er nog een lokale actie tegen het decreet, waarbij een honderdtal studenten enkele kruispunten op de Generaal Jacqueslaan en de Triomflaan bezetten. De rijkswacht was al eerder ter plekke. Wanneer ze de studenten ergens konden verdrijven, liepen die over de campus naar een ander kruispunt. De rijkswacht moest telkens rondgaan, wat hen op het idee bracht enkele conditie-oefeningen te doen. Dat de rijkswachters soms zelfs al eerder op het volgende kruispunt aankwamen, kon wel op respect van de studenten rekenen. Een soort kat-en-muisspel, waarbij het waterkanon wel aanwezig was, maar niet werd ingezet.

Coens verdeelt en heerst

De protesten mochten niet baten. Dit was vooral te wijten aan het feit dat de academische gemeenschap er niet in slaagde een duidelijk samengebundeld protest te laten horen tegen het decreet. Enerzijds omdat het decreet op elke universiteit een andere uitwerking had, en de verschillende academische overheden verdeeld waren. Anderzijds door de verschillende manieren van weerstand bieden. Academische besturen en ambtenaren deden dit door dialoog en onderhandelen, studenten eerder door betogingen.

De minister onderhandelde na de bekendmaking van het voorontwerp kort met de betrokken partijen en schreef een tweede versie. In plaats van indexering zou de Vlaamse Regering jaarlijks het minimaal examen- en inschrijvingsgeld vaststellen. Naarmate het studentenprotest vorderde, werd ook een maximaal inschrijvingsgeld vastgelegd, dat het ontstaan van elite-universiteiten moest tegenaan. De oriënteringsproef werd niet verplicht, en de 60/30-regel voor subsidiëring werd gematigd tot 40/20. Ook werd het gemakkelijker om te studeren aan andere Europese universiteiten en werden studenten vertegenwoordigd in de Vlaamse Onderwijsraad.

Op 12 juni 1991 werd het decreet in licht gewijzigde vorm en met een relatief snelle procedure goedgekeurd, ondanks de aanhoudende protesten. De studenten kantten zich elk jaar weer tegen een structurele verhoging van het inschrijvingsgeld. In 1994 zetten ze hun eisen kracht bij door de bezetting van de inkomhal van gebouw M en zwichtte de raad van bestuur uiteindelijk. De VUB hanteerde de laagste inschrijvingsgelden.


© CAVA Universiteitsarchief