“Velen zullen vermoedelijk eerder tegen Clinton dan voor Trump gestemd hebben”
Artikel gepubliceerd op 29 december 2016 om 13:53

© John Gurzinski, Getty Images

Amerikaanse Presidentsverkiezingen
Door Lorenzo Neirincx
Professor Jeffrey Tyssens doceert over Amerikaanse politieke geschiedenis aan de VUB. Hij schijnt zijn licht op de voorbije verkiezingen en de overwinning van Trump.

Een vraag die iedereen zich waarschijnlijk stelt: was de overwinning van Trump te verwachten. Was u verbaasd over de uitkomst van de verkiezingen?

Tyssens: “Waar ik vooral verbaasd over was, was dat iedereen na de verkiezingen leek te zeggen dat de uitkomst te verwachten was. Terwijl alle opiniemakers daarvoor bijna unaniem het omgekeerde stelden. Het zou dus wat belachelijk zijn om zomaar te zeggen : 'ik had het zien aankomen'. Anderzijds waren er ongeveer anderhalve week voor de verkiezingen al enkele peilingen gepubliceerd, die stelden dat de kans op een overwinning van Trump reëel was, wat ook door de pers vermeld werd. Ik werd toen toch een tikkeltje ongeruster maar ik geloofde nog steeds niet dat Trump zou winnen. Een Amerikaanse collega van mij, werkzaam in de buurt van Pittsburgh, vertelde me na de verkiezingen dat de uitkomst toch niet zo onverwacht was.”

“Het anti-Clintongevoel heeft Hillary zeker parten gespeeld bij deze verkiezingen”

Historische context

Trump heeft de verkiezingen gewonnen door een meerderheid van stemmen in het electoral college, maar niet op vlak van het aantal kiezers. Hoe valt dat historisch te verklaren?

“Het electoral college (kiesmannen, nvdr) is een zeer oud verhaal. Er zijn in het verleden al vier verkiezingen geweest waarbij de overwinnaar niet de kandidaat was die de zogenaamde popular vote, het absolute aantal stemmen, won. In 1824 koos het House of Representatives de president en in 1876 heerste er onduidelijkheid over de resultaten door geknoei met stembiljetten. Een duidelijker geval waarin de overwinnaar van de verkiezingen wel een meerderheid aan kiesmannen, maar niet bij de bevolking haalde, krijg je ongeveer tien jaar later, in 1888. Toen won Benjamin Harrison het van Grover Cleveland. Hetzelfde proces zie je pas weer in 2000, bij de overwinning van George W. Bush tegen Al Gore, met een centrale rol van Florida. Nu nemen we dat fenomeen opnieuw waar, met Clinton die een voorsprong heeft qua stemmen, maar niet significant genoeg om het resultaat te doen kantelen. De verklaring voor het bestaan van het electoral college is te vinden in het vroege begin van de Verenigde Staten, waarbij een heleboel compromissen zijn gesloten. Men wilde onder andere kleine staten zo een niet te nadelige positie geven tegenover de grote staten. Om diezelfde reden heeft men een Senaat gecreëerd waar de staten allemaal even zwaar doorwegen. Je moet ook rekening houden met de toenmalige context. De Verenigde Staten waren een vrij uitgestrekt territorium. De media speelden ook niet zo’n grote rol als nu. Een boer diep in Georgia had bijvoorbeeld zeer weinig informatie over een kandidaat uit New York. Daarom wilde men de uiteindelijke verkiezingen overlaten aan een groep van geïnformeerde mannen. Ook elders in de wereld werkte men met getrapte verkiezingen waarbij een ‘verlichte’ elite het eindoordeel moest vellen. Er zijn weliswaar aanzetten geweest om dit systeem aan te passen, zodat de kandidaat die de popular vote won, de verkiezingen zou winnen. Vooral na de verkiezingen van 2000 werd daarover gesproken. Ook Trump sprak over een mogelijke wijziging, maar we moeten afwachten of die weldegelijk zal gebeuren.”

“De Republikeinen hebben Obama alleszins afgeschilderd als een van de slechtste presidenten ooit. Ik denk dat de geschiedenis veel milder zal oordelen”

Professor Jeffrey Tyssens schijnt zijn licht op de Amerikaanse presidentsverkiezingen    
© Lorenzo Neirinckx, de Moeial

De eerste Republikeinse president was Lincoln, de toekomstige zal Donald Trump zijn. In een van uw vakken bespreekt u onder andere de transformatie van de Republikeinse partij van eentje die nog liberalere componenten had, naar een voornamelijk conservatieve partij. Zou u kort die evolutie kunnen samenvatten, en is Trump het resultaat hiervan?

“De relatie tussen Trump en deze evolutie is niet zo eenduidig. Trump slaagde er namelijk in ook kiezers aan te trekken, die traditioneel niet geneigd zijn om conservatief te stemmen. Nu zijn er weliswaar nog een aantal gematigde Republikeinen, maar het zwaartepunt van de partij is komen te liggen bij conservatieve stromingen.
Vanaf de Amerikaanse Burgeroorlog waren de Democratische en de Republikeinse partij een verzameling van zeer diverse groepen.Vandaag is die diversiteit ten dele verdwenen. Binnen de Democratische partij had je tot de jaren ‘60 een belangrijke conservatieve groep, voornamelijk in het Zuiden, die tot dan toe steevast voor de Democraten stemde. Toen de progressieve vleugel uit het Noordoosten van de VS een platform voor burgerrechten aannam, trok de conservatieve beweging zich terug uit de Democratische partij en wendde die zich tot de Republikeinen.

Daarnaast was er ook een economische reden. Het economisch zwaartepunt lag traditioneel in het Noordoosten, waar de eerder gematigde Republikeinse partij-elite de economische macht had. Het economisch zwaartepunt verschoof echter naar het Zuidwesten, een regio met een sterkere conservatieve traditie en met een nieuw publiek, dat op de Republikeinse partij ging stemmen.

​De relatie tussen Trump en deze groepen is niet zo vanzelfsprekend. Zelf neigde hij eerder in de jaren ‘90 naar Ross Perot (onafhankelijk presidentskandidaat in 1992 en 1996, nvdr) van de Reform Party (rechtse protectionistische partij, opgericht door Perot, nvdr), niet naar de Republikeinse. Pas recent is hij, waarschijnlijk vooral om electorale redenen, gaan aanleunen bij de traditionele conservatieven. Ook het privéleven van Trump is niet meteen wat conservatieve kiezers zouden wensen: hij is meermaals getrouwd. In de jaren ‘60 hebben Republikeinse kandidaten om diezelfde redenen nog een nominatie verspeeld. Waarschijnlijk speelt ook het anti-Clintongevoel een rol. Velen zullen vermoedelijk eerder tegen Clinton dan voor Trump hebben gestemd, net zoals overigens waarschijnlijk omgekeerd ook het geval was bij de Democraten.”

Anti-Clintongevoel

Waar komt dat anti-Clintonsentiment vandaag?

“Aan dat gevoel zijn verschillende aspecten verbonden.Ten eerste is er het verhaal van de Clinton-dynastie en hun lange verbondenheid met de macht. Dat verklaart wellicht ook het onverwacht succes van Bernie Sanders (de democratische tegenkandidaat van Hillary Clinton en zelfverklaard democratisch socialist, nvdr). Maar er zijn ook persoonlijke redenen. Toen ze nog First Lady was, probeerde Clinton een actieve rol te spelen in de politiek. Ze wilde bijvoorbeeld de ziekenzorg uitbreiden. Sommigen vonden dat ze daardoor arrogant oogde. Er is ook een ideologische factor. Hillary was in diezelfde periode linkser dan haar man Bill. Hierdoor durfden –of durven- sommigen haar zelfs een communiste noemen. Haar standpunten inzake de ‘culture wars’ of conflicten tussen groepen met verschillende ideologieën vallen overigens zeer moeilijk bij conservatieve kiezers, onder meer omdat ze in de heikele abortuskwestie duidelijk pro-choice is. Daartegenover staat dan Trump, die zelf geen zuiver ideologische conservatief is, maar zich wel tegen abortus heeft uitgesproken. Het anti-Clintongevoel heeft Hillary zeker parten gespeeld bij deze verkiezingen.”

Voornamelijk aanhangers van Sanders stellen nu dat als hij de presidentskandidaat van de Democraten was geweest, hij gezegevierd zou hebben over Trump. Andere stellen echter dat het zeer veel moeite zou hebben gekost om een zelfverklaarde socialist in het Witte Huis te krijgen. Hoe is die eerder negatieve perceptie van het socialisme in de VS te verklaren?

“Het heeft veel te maken met de klassenstructuren van de VS in de 19de eeuw en er is natuurlijk het verhaal –of moet ik zeggen; de mythe - van de American Dream. Dat heeft het moeilijk gemaakt om het socialistisch gedachtegoed in de VS in te planten. Ook de geschiedenis van de Amerikaanse arbeidersbewegingen is anders dan de Europese. De eerste Amerikaanse vakbonden, de craft unions, waren eerder conservatieve belangenverenigingen van geschoolde arbeiders, waar het ongeschoold proletariaat van uitgesloten werd. Dit is doorheen de jaren niet zoveel veranderd. In de korte periodes waarin socialistische bewegingen succes leken te boeken, kregen ze vaak te maken met brute repressie, onderdrukking van stakingen en zelfs opsluiting van succesvolle leiders. Ook in universitaire kringen is het succes van socialisme betrekkelijk beperkt geweest ondanks de aanzienlijke media-aandacht ervoor in de jaren ‘60. De rekrutering van studenten door conservatieve organisaties was toen in aantal groter dan die door de progressieve. Sanders zouden wij in Europa eerder een sociaal-democraat noemen dan een socialist. Hij slaagde erin om, in een context van ontevredenheid binnen de Democratische partij, zijn boodschap bij jongere groepen te doen aanslaan. Sanders heeft het ook als beleidsvoerder niet zo slecht gedaan. Eerder al in zijn carrière lukte het hem om burgemeester te worden van een stadje dat daarvoor eerder Republikeins stemde. Of hij dit soort kiezers ook breed had kunnen aantrekken tegenover Trump, is echter niet zo zeker. Ikzelf betwijfel of een zelfverklaarde socialist, zonder een duidelijk omschreven religie bovendien, het Witte Huis had kunnen halen, maar dat blijft uiteraard pure speculatie.”

“Er is natuurlijk het verhaal –of moet ik zeggen; de mythe - van de American Dream. Dat heeft het moeilijk gemaakt om het socialistisch gedachtegoed in de VS in te planten.”

Evangelisten stemden voornamelijk op Trump ondanks diens controversiële uitspraken en gebrek aan religieuze kennis. Wat is de politieke rol van deze religieuze groepering?

“Ik denk dat hun stem er eerder één was tegen Clinton, dan één voor Trump. Belangrijk hierbij was dat hij een aantal standpunten met hen deelde. Zijn succesvolle mobilisatie van die groep was nochtans niet zo evident. Bij de recente generatiewissel binnen de fundamentalistisch-protestantse strekking leek er een nieuwe generatie van predikanten aan te komen die niet noodzakelijk automatisch de meest conservatieve posities zouden steunen. Toch is Trump er in geslaagd die groep in vrij grote aantallen te mobiliseren om effectief te gaan stemmen.”

Tijdens de verkiezingen heeft men ook aandacht geschonken aan andere kandidaten dan de Republikeinse en Democratische. Dat kwam onder meer door de impopulariteit van de twee kandidaten. Hebben ze een zekere impact gehad?

“Historisch gezien is dit te verklaren door het feit dat Amerika het ‘Winner-takes-it-all-principe’ van Groot-Brittannië heeft overgenomen. Meestal genereert zoiets een tweepartijensysteem. Dat maakt het zeer moeilijk voor derden om belangrijke overwinningen te behalen. Desondanks hebben derde partij-kandidaten in het verleden al een aanzienlijk aantal stemmen kunnen halen als er onvrede was. Zelfs met maar een klein aantal stemmen kunnen zo’n kandidaten een rol spelen. Zo was er in 2000 de kandidatuur van Ralph Nader voor de ecologisten, die met een beperkt percentage stemmen de balans deed kantelen en meteen Al Gore enkele staten kostte. Voor de huidige verkiezingen moeten de resultaten nog precies becijferd worden. Het lijkt erop dat enkele derde kandidaten, met hun kleine percentages, staten hebben doen kantelen naar Trump. Sommige third-party-kandidaten kunnen zo onbewust een stoorzender zijn voor de kandidaat die dichter bij hen staat.”

Hoe zou u het presidentschap van Obama beoordelen?

“Dat is geen gemakkelijke vraag, gezien we met onze neus nog te dicht op de feiten zitten. Zo is het bijvoorbeeld moeilijk om zijn buitenlands beleid precies af te wegen. De Republikeinen hebben Obama alleszins afgeschilderd als een van de slechtste presidenten ooit. Ik denk dat de geschiedenis veel milder zal oordelen. Men moet ook rekening houden met de politieke context. Obama werd in zijn handelingen beperkt door de Republikeinse meerderheid in het Congres. Met een Democratische meerderheid was het duidelijk anders afgelopen. Dat neemt niet weg dat hij stappen heeft proberen zetten die significant waren.Verder is er nog het raciaal verhaal. Toen hij in 2008 verkozen werd, dacht ik meteen aan een Franse uitdrukking: ‘qu'elle était belle la république, sous la monarchie’. Met andere woorden, we hadden nu voor het eerst een president uit de Afro-Amerikaanse gemeenschap, maar of dat de dagelijkse etnische spanningen meteen zou veranderen, dat was nog iets geheel anders. Dat zijn presidentschap ook op dat vlak een breuk zou vormen, geloofde ik toen al niet. Dat heeft zich ook ten volle bewezen. Men kon dat ook niet van hem verwachten: het probleem was en is structureel. Natuurlijk blijft er het symbolisch belang van zijn verkiezing en alleen daarom al zal zijn presidentschap historisch blijven.”