Instellingsreview: De universiteit als zelfaccrediterende instelling
Artikel gepubliceerd op 11 mei 2016 om 11:59
Ann Verreth, NVAO    
© Emily Schennach, de Moeial

Om de instellingsreview was al lange tijd veel te doen. In tegenstelling tot de vroegere opleidingsvisitaties waarin door externen zowat aan de hand van checklists werd beoordeeld of de kwaliteit van een opleiding in orde was, zal nu de instelling als geheel bekeken worden. Is de VUB in staat om kritisch naar zichzelf te kijken en om zelf een kwaliteitscultuur te ontwikkelen?

De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) is een onafhankelijke en apolitieke organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de instellingsreviews. Het resultaat zal adviserend zijn in de nieuwe beleidsvorming naar 2020 toe als een nieuw accreditatiestelsel in werking moet treden. De VUB behoort tot de eerste groep die de spits afbijt met locatiebezoeken. Zes instellingen worden voor de zomer bezocht, zes instellingen na de zomer, en de laatste zes instellingen in de eerste helft van 2017. De NVAO bracht dinsdag 12 en woensdag 13 april een eerste bezoek aan de VUB. Ann Verreth, vicevoorzitter van de NVAO, spreekt met De Moeial over het verloop van de instellingsreview.


Kwaliteitscultuur
Het voordeel van de instellingsreview is het feit dat een instelling op zichzelf wordt getoetst, en niet aan de hand van een vooropgezet model. Ann Verreth: “Wij hebben onze reviewcommissies intensief getraind om te starten vanuit het verhaal van de instelling, dat is echt de basis. Dat noemen wij onze waarderende aanpak. Op die manier voorkomen we dat we aanpak X of Y opleggen aan instellingen, terwijl er vanuit de unieke maatschappelijke positie van een instelling behoefte is aan een andere aanpak. Daarom laten we de instelling het verhaal doen. Het vertrekpunt is dan om te kijken of hun aanpak werkt, en hoe dat verbeterd kan worden. Kwaliteit blijft natuurlijk de focus, alleen hopen we met deze aanpak stimulerend te zijn om de kwaliteitscultuur te verhogen. We willen met dit systeem de instelling eigen regie geven over de opleidingskwaliteit.”
De reviewcommissie zal bestaan uit mensen die zonder uitzondering onafhankelijk zijn van de instelling. “We hebben in onze panels altijd sowieso één student die op gelijke voet participeert met de andere panelleden. Verder zal er iemand zijn met bestuurlijke ervaring in het hoger onderwijs. Ook hebben we in elk panel een lid ingebracht die eerder uit het werkveld komt; een sociaaleconomisch iemand die nauw bij kwaliteitszorg betrokken is. Om het internationaler te maken hebben we ook een internationaal panellid met bestuurservaring. Dat kan een Nederlander zijn, maar dat ook iemand uit het Franstalig hoger onderwijs zijn. Voorwaarde is wel dat die persoon het Nederlands machtig is: alle achttien instellingen in Vlaanderen hebben gekozen om de instellingsreview in het Nederlands uit te voeren.”

 

Studenten moeten ook aangeven wat zíj belangrijk vinden dat publiek is.

Ann Verreth, NVAO

We hopen met deze aanpak de kwaliteitscultuur te verhogen.

Ann Verreth, NVAO

De aanloop naar een nieuw systeem
Er zullen nog geen consequenties aan de instellingsreview kleven. “Je moet het zien als een pilot. We zullen pas een rapport publiceren als alle achttien instellingsreviews voorbij zijn. Hierin zullen we thematisch aangeven wat onze panels hebben vastgesteld. Daarnaast voert de overheid ook een decretaal voorziene evaluatie met een evaluatie- en resonantiegroep. De instellingsreview wordt nu getest en geëvalueerd; dat kan nog aangepast worden. We zitten nu in Vlaanderen namelijk in een fase waarin we in 2020 een nieuw systeem ingang moeten laten vinden. En met nieuw, wel, dat kunnen ofwel de instellingsaccreditaties zijn, ofwel de instellingsreview zoals we die nu testen met wellicht enkele aanpassingen, of zelfs iets anders. Maar om in 2020 een nieuw systeem te hebben moeten we eind 2017 al beginnen, als onze overzichtsrapportage af is, met nieuwe regelgeving zodat die in 2020 ook van start kan gaan. Dus we zitten nu in een fase waarin de reguliere opleidingsvisitaties opgeschort zijn, waar we deze pilot instellingsreview hebben en waarin we alleen nog opleidingsvisitaties hebben voor nieuwe opleidingen of voor opleidingen die zich in een hersteltraject bevinden.”

“Voor nu is de kern van deze locatiebezoeken erachter te komen hoe de VUB de kwaliteit zal blijven waarborgen. Bovendien zullen zij moeten aangeven hoe zij die informatie publiekelijk maken. Maar ik vind ook dat studenten moeten aangeven wat zíj belangrijk vinden dat publiek is. Dat is niet altijd duidelijk. Dat kan over veel dingen gaan: kwantitatieve gegevens, slaagcijfers, studierendement: dat zijn bijvoorbeeld gegevens waar wij nu met de Vlaamse Overheid over in gesprek zijn. Op welke manier kan de overheid, die over al die gegevens beschikt, zulke zaken beter toegankelijk maken voor het grote publiek? Maar over het element “hoe zorg ik nu als instelling dat de kwaliteit van mijn instelling geborgd wordt, en wat zijn de resultaten van mijn interne regie”, zou het goed zijn dat ook studenten zelf aangeven in welke gegevens ze precies geïnteresseerd zijn. Instellingen kunnen wel alle mogelijke vormen van informatie op online platforms publiekelijk maken, maar als dat geen gerichte informatie is, is de transparantie ook zoek. Je kunt ook de informatie verdrinken in een grote hoop.”

Het eerste locatiebezoek
Het eerste locatiebezoek op de campus stond vooral in het teken van verkennen. De VUB heeft van te voren een zogeheten kritische reflectie ingediend die de reviewcommissie uitvoerig bestudeerd heeft. In deze kritische reflectie beantwoordt de VUB in essentie de vraag hoe de kwaliteit van de opleidingen gewaarborgd blijft, keuzes in visie en beleid worden toegelicht, maar aan bod komt ook hoe de VUB haar eigen evaluatiesysteem heeft opgezet, en wat voor verbetermaatregelen de universiteit al genomen heeft. “Elke kritische reflectie zou ook moeten aangeven op welke wijze de informatie over de kwaliteit van de opleidingen, en de manier waarop de instelling dat aanpakt,  daadwerkelijk publiekelijk gemaakt wordt.”


De reviewcommissie trachtte bij het eerste locatiebezoek inzicht te krijgen in de interne gang van zaken en probeerde de tevredenheid bij studenten, docenten en andere belanghebbenden na te gaan. “Het is echt de bedoeling van het eerste locatiebezoek om te kijken in welke mate het verhaal dat de reviewcommissie leest, ook een compleet verhaal is. Waar zitten de sterke punten, waar zijn er nog vragen over? Dan wordt ook gekozen op welk punt de reviewcommissie dieper in wil gaan tijdens het tweede locatiebezoek. Er worden als het ware samen met de VUB een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Dan stelt de VUB zelf aan de reviewcommissie voor hoe en waar deze onderzoeksvragen bekeken worden tijdens het tweede locatiebezoek.”


Het tweede locatiebezoek
Het tweede locatiebezoek zal plaatsvinden van 9 t/m 11 mei. De opzet bestaat uit zogenaamde review trails. Een verticale review trail, een horizontale review trail, en een derde review trail. De horizontale review trail zal zich focussen op een accent of thema waarop de VUB zich profileert. De verticale review trail zal zich daarentegen toeleggen op de daadwerkelijke uitvoering van zo’n accent of thema. “Een voorbeeld van een horizontale review trail zou kunnen zijn: we willen zien hoe het gaat met studentenparticipatie in deze instelling. Een voorbeeld van een verticale review trail zou kunnen zijn: in opleiding X van de VUB willen wij zien hoe de missie, de strategische doelstellingen, effectief en concreet in de praktijk op opleidingsniveau aan bod komt.”


De derde review trail zal onderzoeken hoe de VUB de kwaliteit van de opleidingen zal blijven waarborgen. Of anders gezegd: hoe de regie achter de kwaliteitsborging in elkaar steekt. “Deze derde review trail is in theorie optioneel, maar alle instellingen in Vlaanderen hebben vanaf het begin al aangegeven ook deze trail op te willen nemen. Dus al onze panels zullen ook de regie bekijken. Daar zullen zij een apart rapport over schrijven wat een adviesrapport zal zijn.”


Voor de kwaliteit van opleidingen bestaan Europese richtlijnen die gevangen worden in de European Standards and Guidelines (ESG) die ook de VUB zal moeten hanteren in de uitvoering van de kwaliteitsborging. Daarmee wordt een enorme verantwoordelijkheid aan de universiteiten zelf gegeven. “Wij zien dat bepaalde instellingen al meteen hun hele kwaliteitszorgsysteem aan het omgooien zijn om dat op korte termijn zelf te kunnen organiseren. De reviewcommissie zal het solide karakter achter de universiteit bekijken. Om een voorbeeld te geven: de kerntaak van de reviewcommissie is dus niet het bekijken van curricula of vakinhoud; het is aan de regie van de instelling om aan te geven op welke wijze zij de inhoud van hun opleidingen up to date houden. Het is dus inderdaad niet dit reviewpanel dat zich daarmee bezighoudt, maar de VUB zal heus wel moeten aangeven hoe zij de regie over de kwaliteit van opleidingen ziet.”