“Ik zou de meest enthousiaste student aan de VUB zijn”
Artikel gepubliceerd op 20 maart 2016 om 10:50

Vlak voordat ik aan de universiteit zou gaan beginnen werd ik slachtoffer van een bomexplosie.

Revoluties
“Tijdens mijn tweede jaar aan de universiteit begonnen de revoluties. Enkele studenten begonnen bij ons op de campus te protesteren en te pleiten voor meer vrijheid. De ‘beveiligingsmedewerkers’ van onze universiteit konden dat natuurlijk niet zomaar laten gebeuren. Ze hebben dat groepje studenten van een balkon naar beneden gegooid. Ze waren alle zeven op slag dood. Een dag later kwam de VN om het voorval te onderzoeken. Toevallig kwam ik die dag gelijktijdig met hen aan op school. Ze vroegen me of ik hen naar de plek van de misdaad kon brengen. Ik was bang en wilde hen eigenlijk niet helpen omdat ik wist dat mij dat in de problemen zou brengen. Maar ze bleven aandringen en uiteindelijk wees ik hen de weg. Omdat ik zeker wist dat een van de bewakingscamera’s me gezien moest hebben raakte ik in paniek. Wat zou er gebeuren als bleek dat ik de VN ‘geholpen’ had met hun onderzoek? Ik had geen hoop meer op een goede afloop en besloot samen met mijn broer, die ook aan de universiteit in Aleppo studeerde, te vluchten.”

“We doken eerst onder in een kleine stad in Syrië, waar de bevolking als straf van het regime geen toegang meer had tot stroom of water. Ik besefte al snel dat ik het daar niet lang zou volhouden dus staken mijn broer en ik de grens met Turkije over, waar we toen een tijdlang verbleven. We gingen op zoek naar universiteiten om onze studies voort te zetten. Maar dat bleek onmogelijk. In Turkije zijn universiteiten heel duur en we konden niet aan een opleiding beginnen omdat we geen Turks spreken. Daar was dus met andere woorden geen toekomst voor ons. Ondertussen was mijn moeder, die nog steeds in Syrië woonde, erg ziek geworden. Omdat veel goede dokters en specialisten het land al ontvlucht waren, heeft zij nooit de nodige medische hulp gekregen. Ze is overleden aan kanker een jaar nadat mijn broer en ik uit Syrië gevlucht zijn. Daarna stond ons besluit vast. We zouden naar België gaan.”

België
“Ik had via familie die hier al veertien jaar woont vernomen dat er goede medische zorg is in België. Omdat ik nog steeds last had van het lichamelijke letsel dat ik bij de ontploffing  opgelopen had, hoopte ik dat ik, eenmaal hier, de juiste hulp zou krijgen. Mijn broer en ik zijn met behulp van een mensensmokkelaar die ons meenam op een piepklein bootje tot in Italië geraakt. Daarna zijn we even in Zweden en Denemarken geweest, maar ons einddoel was nog steeds België. Hier hebben we eerst een tijdje in een asielcentrum gewoond. Na twee jaar kregen we eindelijk een verblijfsvergunning voor vijf jaar, waarna we op zoek konden gaan naar ons eigen appartement. Ik ben hier in Brussel naar vijfendertig appartementen gaan kijken voordat ik eindelijk een positief antwoord kreeg. Ik kreeg hulp van Belgen, maar toen zij de huisbazen ervan probeerden te overtuigen dat ik zorg zou dragen voor hun eigendom zeiden ze: ‘Wat voor garantie hebben wij dat hij binnenkort de boel niet opblaast?!’”

“Het is heel pijnlijk om te moeten horen hoe negatief sommige mensen staan tegenover vluchtelingen. Uiteraard zijn er slechte mensen die Europa proberen binnen te komen. Maar wat dan met de mensen die hier met goede bedoelingen komen? Die hier niet zijn om te profiteren maar die niets liever willen dan iets terug doen voor de Belgische maatschappij? We mogen niet vergeten dat we een groep mensen niet kunnen bestempelen als goed of slecht. We moeten oordelen vellen over individueel gedrag. Iedereen verdient toch een eerlijke kans?”

“Het is via mijn broer dat ik vernomen heb van het Welcome Student-Refugee Programme aan de VUB. Hij wist dat ik op zoek was naar een universiteit waar ik opnieuw kon gaan studeren en stuurde me de link met uitleg door. Ik ben me momenteel volop aan het informeren en ga me binnenkort  kandidaat stellen voor de opleiding. Ik ben er zeker van dat als ik toegelaten word, ik de meest enthousiaste student aan de VUB zal zijn. Ik heb echt zin om er opnieuw in te vliegen. Het is voor mij heel belangrijk dat ik de komende vijf jaar zoveel mogelijk probeer te bereiken in mijn leven. Ik weet immers niet of ik in België zal mogen blijven na die vijf jaar en ik ben niet van plan het risico te lopen met lege handen naar huis gestuurd te worden.”

Engels
“Mijn vader heeft er altijd op gehamerd dat we Engels leerden spreken. Wij hechtten daar vroeger niet zo’n belang aan en zagen niet in waarom dat zo belangrijk was. Toen we in Turkije woonden en bleek dat we met onze kennis van Engels nergens zouden komen waren we gefrustreerd en kwaad. Maar nu zijn we er hem heel erg dankbaar voor. Het heeft ons gered. Mijn vader zei vroeger altijd ‘Keep your pen and paper close, they are your best friends.’ Nu begrijpen we pas echt hoe belangrijk educatie is. De opleiding Social Sciences lijkt me heel interessant, ze sluit ook nauw aan bij waar ik me mee bezig houd in mijn vrije tijd. Ik ben sinds mijn aankomst in België actief als vrijwilliger bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen en School Zonder Racisme. Ik ben ervan overtuigd dat ik als erkende vluchteling mijn steentje kan bijdragen aan de situatie van vluchtelingen die hier pas zijn aangekomen.”

“Mijn droom voor de toekomst is dat ik ooit een NGO kan oprichten die vluchtelingen in nood kan helpen of andere NGO’s kan ondersteunen in het begeleiden van vluchtelingen. Ik weet zelf maar al te goed hoe moeilijk en eenzaam het kan zijn om aan te komen in een vreemd land. Het lijkt me een mooie opdracht om vluchtelingen warm te onthalen en hen het gevoel te geven dat ze welkom zijn.”

Ik ben in Brussel naar vijfendertig appartementen gaan kijken voordat ik eindelijk een positief antwoord kreeg.

 

Studentenkoten zijn al langer een zwarte vlek op het Brussels woonlandschap. De hete aardappel wordt doorgeschoven tussen gewesten en gemeenschappen, en de unieke positie van Brussel als meertalige hoofdstad betekent dat de wetgeving vaak een Belgisch compromis of een juridisch kluwen is. Het tienpuntenplan is dan ook zonder meer vooruitgang áls het uitgevoerd wordt.

Koen Van Ryckeghem blijft tevreden met het initiatief van de minister-president en minister voor Huisvesting Céline Fremault: “Ik ben opgetogen over de snelheid waarmee sommige maatregelen getroffen worden. Dat is echt uitzonderlijk. Anderzijds moet je realistisch zijn, hervorming van wetteksten en ordonnanties, dat gaat traag.”
De Brik-voorzitter heeft het specifiek over het beloofde sociaal verhuurkantoor voor studenten. Zo’n verhuurkantoor is een tussenschakel tussen de privémarkt en studenten. Verhuurders vragen een iets lagere huurprijs, maar zijn door het verhuurkantoor verzekerd dat ze die ook krijgen. Het aanduiden van de directeur voor het SVK Student zit in een eindfase, en dan kan het project in praktijk van start gaan. “Dan kan het heel snel gaan, al moet je natuurlijk de woningen zelf nog vinden. Ik denk dat we naar volgend academiejaar kijken, al is dat een héél optimistische inschatting”, vertelt Van Ryckeghem.

Andere maatregelen, zoals de aanpassing van de GSV (Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening, nvdr), die de wettelijke omkadering voor woningen regelt, zullen langer op zich laten wachten. “Er zitten hiaten in die oude wetgeving, en dat we die moeten veranderen, dat weten we al lang. Maar ze is ook erg breed; het gaat over dingen zoals bouwlagen, energienormen, lichten en zichten. Het is niet evident om daar consensus over te bereiken.” Van Ryckegem heeft gelijk; in het Vlaamse gewest is men ook de oefening aan het maken en de standpunten liggen daar nog enorm uit elkaar. “Als je die wetgeving wil actualiseren, en je wil er studentenkotenbeleid bij opnemen, dan maak je die oefening in één keer, en je doet ze goed. Daarom duurt het lang. In Brussel moeten we het proces nog bijna vanaf nul beginnen.”

Toch zijn er al enkele projecten die in de startblokken staan. Zo ontwikkelde Brik samen met PLE, de Franstalige tegenhanger, een nieuwe ‘kotzoeker’: iKOT. En hoewel een initiatief zoals de uitbouw van een internationale studentenwijk riekt naar een prestigeproject, is Van Ryckeghem een tevreden man. “Er liggen nog heel wat moeilijke processen voor ons, maar over het algemeen ben ik zeer positief. De meerwaarde van het tienpuntenplan is tweeledig. Enerzijds gaat het heel breed, en pakt het de studentenwoonproblematiek aan op verschillende niveaus. Dit plan staat ons toe om zowel naar wetgeving als naar concrete projecten zoals iKot te kijken. Allebei zijn ze belangrijk, maar ze vragen een aparte aanpak. Anderzijds is het ook een engagementsverklaring vanuit de politiek: we gaan het probleem aanpakken.”

Wat weinig prioriteit krijgt in Fremaults plan, is het effectief bijbouwen van koten. Van Ryckeghem geeft commentaar. “Daar zitten we weer op die tweespalt van bevoegdheden. Gebouwen zit op gewestelijk niveau, en onderwijs op gemeenschapsniveau. Het plan is gewestelijk, maar koten zijn gebonden aan onderwijs.” Men mikt dus op de privémarkt om het kotentekort op te vangen. Het is een gevoelig punt voor Van Ryckeghem. “Je mag niet volledig op de privémarkt rekenen om dat op te lossen. Zeker omdat we op dit moment niet over correcte cijfers beschikken.”

“De bevoegde diensten zeggen dat we tussen de 9 000 en 15 000 koten tekort hebben. Op een studentenbevolking van 86 000 is dat al zeer veel, maar eigenlijk zijn die cijfers uit de lucht gegrepen. We weten het niet. Dus voorspel ik dat als we de privémarkt volledig vrij spel geven, we binnen enkele jaren met een overschot aan dure koten zullen zitten, wat leegstand bevordert.” Volgens Van Ryckeghem valt dat samen met het informatietekort. Er is te weinig diversifiëring binnen het privé-aanbod. “We weten bijvoorbeeld niet hoeveel studenten de voorkeur geven aan een gewoon kot; een eenvoudige kamer met goede maar gemeenschappelijke voorzieningen. Want die zijn ook nodig, niet enkel de duurdere luxekoten. We moeten dus meer cijfers hebben en typologieën opstellen. Ik dring dan ook aan op een grootschalig onderzoek.” Zelfs als Fremaults tienpuntenplan morgen volledig activeert, is er dus nog werk aan de winkel. 

 

Yazan Rajab    
© de Moeial, Emily Schennach

De VUB wil met het Welcome Student-Refugee Programme erkende vluchtelingen een plek aanbieden aan de universiteit. De bedoeling is dat zij hun academische opleiding kunnen voortzetten in België. Yazan Rajab is 22 en afkomstig uit Aleppo, Syrië. Hij verblijft sinds november 2014 in België en wil volgend academiejaar een opleiding volgen aan de VUB.

Er zijn al een dertigtal ‘inschrijvingen’ via het Welcome Student-Refugee Programme, maar er zijn voorlopig nog geen studenten toegelaten. De geïnteresseerden moeten eerst gescreend worden voordat ze te horen krijgen of ze al dan niet aan de VUB kunnen studeren. Zo worden ze uitgenodigd voor een individueel gesprek en worden hun papieren gecheckt om ervoor te zorgen dat er geen valse getuigschriften tussen zitten. Dr. Salman van de VUB, die zelf nog les gegeven heeft aan de universiteit van Damascus, is de coördinator van de screenings. Nadat de volledige procedure is doorlopen, zal het rectoraat Studentenbeleid een positief of negatief advies geven. De uiteindelijke beslissing om een student aan te nemen ligt bij de  faculteiten zelf. Om de overgang gemakkelijker te maken, kunnen vluchtelingen zich bijvoorbeeld inschrijven voor taalcursussen die in de zomer van 2016 zullen doorgaan.

Yazan Rajab is een van de geïnteresseerden en probeert volgend jaar een VUB student te worden. Zijn verhaal begint in Syrië. 

Yazan Rajab: “In Syrië kunnen studenten niet zomaar kiezen wat ze gaan studeren. Enkel diegenen met de beste punten kunnen bijvoorbeeld voor ingenieur gaan. Vlak voordat ik aan de universiteit zou gaan beginnen werd ik slachtoffer van een bomexplosie. Ik raakte gewond aan mijn benen. Vier maanden lang was ik verlamd en na een moeilijke revalidatie van negen maanden kon ik opnieuw lopen. Daarna kon ik me eindelijk inschrijven aan de universiteit maar er bleven nog maar drie opties over waaruit ik kon kiezen. Uiteindelijk koos ik voor de opleiding ‘Banking and Financial management’. Het was hard werken, en nog altijd had ik last van mijn fysiek letsel. Zo moest ik mijn pen aan mijn hand vastplakken zodat ik minder snel kramp kreeg.”