Karel De Gucht: nieuwe voorzitter van het Institute for European Studies
Artikel gepubliceerd op 17 december 2015 om 11:24
Karel De Gucht    
© Emily Schennach, de Moeial

Karel De Gucht is de nieuwe voorzitter van het Institute for European Studies (IES). Heel zijn carrière is hij al gelieerd aan de Vrije Universiteit Brussel en ook was hij nauw betrokken bij de oprichting van het instituut in 2001. 

Waarom u? 
Karel De Gucht: “Omdat men mij dat gevraagd heeft. Dit klinkt als een zeer politiek antwoord, maar het is gewoon zo. Ik ben gestopt als Europees commissaris waarna mij gevraagd werd of ik een bijdrage wilde leveren aan mijn universiteit. Het is inderdaad mijn universiteit: ik heb hier heel mijn leven lesgegeven. Die taak heb ik dus aangenomen. Het is de rector van de universiteit die het voorstel mag formuleren, daarna gaat het naar de Raad van Bestuur van zowel de VUB als IES die erover moet stemmen.”

U was ook bij de oprichting van IES betrokken?
“Inderdaad. Vijftien jaar geleden was er het idee om een internationaal en Europees instituut op te richten aan de VUB. We hebben dat gedaan met Bart De Schutter (voormalige rector VUB en voorzitter IES, nvdr), Michel Flamée en ikzelf. We hadden toen een klein kantoortje in La Chasse. Ondertussen is dit toch wel een vrij uitgebreid iets geworden; een serieus uit de kluiten gewassen kind. Maar het is zeer klein begonnen.”

"Er loopt een duidelijk Europese draad door mijn politieke loopbaan."

Karel De Gucht

U bent natuurlijk ook een politiek boegbeeld en een grote naam. Heeft dat een rol gespeeld? 
“Och nee, dat denk ik niet. De realiteit is wel dat ik in mijn politieke loopbaan altijd zeer met Europa verbonden ben geweest. Ik ben 14 jaar lid van het Europees Parlement geweest, daarna lid van de regering als minister van Buitenlandse Zaken en daarna lid van de Europese Commissie. Ik heb ook deel  uitgemaakt deel uit van twee Europese conventies: over de Europese Grondwet en over de Charter van de Grondrechten. Er loopt een duidelijke Europese draad door mijn politieke loopbaan.”

“Daarnaast is het geen ongezonde zaak om aan wat oudere politici, die niet meer in het dagelijks gefriemel zitten binnen de politiek, zo’n taak te geven. Dit is trouwens een onbezoldigde taak: mensen die nog dagelijks hun brood moeten verdienen, hebben daar geen tijd voor. Als men mij, als oudere politicus, niet dat ik me oud voel (lacht), vraagt om iets voor mijn universiteit te doen, dan doe ik dat.”

“Het is ook geen geheim dat ik altijd een zeer vrijzinnige instelling heb gehad. Ik zou dit niet doen in Leuven, zelfs niet als men mij zou betalen. Men moet politici niet beschouwen als een  op zichzelf staande categorie die je zo veel mogelijk van alle activiteiten weg moet houden. In tegendeel, je zou ze veel meer moeten betrekken bij maatschappelijke bezorgdheden.”

Wat zijn uw concrete taken? 
“Ik ben niet diegene die het instituut academisch leidt. Daarvoor hebben we een academische directeur. Die formuleert, begeleidt en stuurt het academische programma. Ik heb natuurlijk ook wel mijn ideeën over wat zo’n instituut moet doen. Ik heb ook altijd zelf lesgegeven en ben inhoudelijk bezig met de EU. Maar het is de academische directeur die de eerste verantwoordelijkheid daarin heeft. De voorzitter moet ervoor zorgen dat het blijft draaien. Die moet problemen oplossen en ervoor zorgen dat het instituut voldoende gefinancierd wordt door de overheid. Een voorzitter kan ook helpen met het verder uitbouwen van het netwerk. Men rekent erop dat ik bepaalde connecties heb, maar ik zie dit niet louter als een representatieve functie." 

Uw voorganger, Bart De Schutter, stond 14 jaar aan het hoofd van IES. Bent u ook van plan zo lang te blijven? 
“Nee. Iedereen moet voor zichzelf uitmaken hoelang hij/zij wil blijven. Bart De Schutter heeft heel goed werk geleverd. Het begon bij een klein instituut in een klein bureautje in La Chasse, in een kelderkamer waar de ramen ter hoogte van de stoep waren tot wat nu toch wel een goed draaiende boîte is. Hij had bovendien een enorme ervaring met de universiteit, hij was rector, kende het reilen en zeilen zeer goed en is een leven lang academicus geweest. Ik ga dat geen 14 jaar doen, maar dat wil niets zegen over iemand die dat wel gedaan heeft. Mijn bedoeling is om het vijf jaar te doen en in die vijf jaar te proberen om IES nog een stapje verder te brengen.”  

"Ik zou dit niet doen in Leuven, zelfs niet als men mij zou betalen."

Karel De Gucht

Wat zijn uw doelstellingen? 
“Ik denk dat we moeten proberen om een nog groter internationaal netwerk op te zetten. Bovendien hebben we een betere wisselwerking nodig tussen onze research en onze onderwijsprogramma’s. Onderzoekers die hier zitten hebben vaak niet de gelegenheid om te doceren. In Amerika is dat wel zo: mensen die daar een PhD doen, moeten vanaf het 2e jaar lesgeven. Ik zeg niet dat we dat systeem moeten kopiëren, dat past ook niet in ons universitair model, maar ik vind wel dat je een grotere integratie moet hebben tussen je research en je onderwijs. Anders is het resultaat van je research een thesis die achteraf alleen wordt gelezen door mensen die gespecialiseerd zijn in dat onderwerp. Het mag niet alleen een bewijs zijn dat je dat kan bijeenschrijven. Er moet een grotere maatschappelijke betrokkenheid zijn.”

“Dan hoop ik er ook voor te kunnen zorgen dat de financiering goed zit. Dit is een instituut dat niet in de financiële problemen zit. Ongeveer 50% komt van de overheid (ministerie van Onderwijs), een stukje van de VUB dat eigenlijk niet zo geweldig veel is en we hebben ook veel eigen inkomsten. Dat zijn projecten en studies die wij doen in opdracht van bijvoorbeeld de Europese Commissie. De verhouding tussen eigen en vreemde inkomsten zit goed. We hebben een budget van drie miljoen euro per jaar, dat is best veel, dat zijn geen peanuts. Een instituut moet kunnen bewijzen dat het zichzelf kan bedruipen.”

Wat is de maatschappelijke meerwaarde van een instituut zoals IES?
“We moeten wat we hier doen meer uitdragen naar het publiek. De mensen die hier regelmatig artikels publiceren in wetenschappelijke tijdschriften, moeten ook prominent aanwezig zijn in de pers. Dan bedoel ik zowel TV, radio als kranten en tijdschriften. Dat geeft meer zichtbaarheid, maar verhoogt ook de maatschappelijke relevantie van zo’n instelling. Ook kan dat bijdragen om het niveau van het publieke debat te verbeteren. Dat is voor een stuk de maatschappelijke taak van een instelling als IES.”

“Ik vind niet dat de mensen hier boekenwurmen moeten zijn; ze moeten ook public intellectuals zijn. Dat is een belangrijke taak van de universiteit in het algemeen en zeker van een postuniversitaire instelling als IES. Het doel is om public intellectuals te maken die echt kunnen tussenkomen in het maatschappelijke debat, waarin het instituut natuurlijk een visie heeft. De manier waarop is belangrijk. Iets technisch verpakken waar niemand meer iets van snapt, dat is geen kunst. Maar iets dat zeer complex en ingewikkeld is met rake voorbeelden kunnen duiden, dat is een talent. Met weinig woorden de essentie weergeven. In der Beschränkung zeigt sich der Meister. ”