Is doctoreren een door de overheid georganiseerde belastingsontduiking?
Artikel gepubliceerd op 9 december 2015 om 18:18
Jo Coulier    
© LSP

De helft van de Vlaamse doctorandi aan Vlaamse universiteiten heeft depressieve gevoelens. Een derde van hen vertoont zelfs symptomen van een klinische depressie. Dat blijkt uit een onderzoek van onder andere de Universiteit van Gent.

“Doctorandi hebben dubbel zo vaak mentale problemen als de gemiddelde hoogopgeleide Vlaming van dezelfde leeftijd”, zegt hoogleraar arbeidspsychologie Frederik Anseel, die bij het onderzoek betrokken was, in een interview met De Tijd. “Ze hebben vaker last van een lage zelfwaarde of het gevoel dat ze hun problemen niet de baas zijn. Een mogelijkheid is dat mensen die zich aangetrokken voelen tot doctoreren zich ook sneller depressief voelen. Maar niets wijst daarop.”

Afwezigheid juridisch statuut

Universiteitsvakbond ABVV schrikt niet van de resultaten. Jo Coulier, hoofdafgevaardigde van ABVV-VUB en lid van de Ondernemingsraad, geeft aan dit al lang geleden te hebben gemeld bij het bestuur van de VUB. Coulier krijgt al jaren academisch personeel met sociopyschologische problemen over de vloer. “Die zijn deels te wijten aan conflicten van individuele aard, een conflict tussen collega’s bijvoorbeeld. Maar met de invoering van het financieringsdecreet in 2008 steeg ook de onderlinge concurrentie tussen universiteiten en professoren en ook dat zorgt voor spanningen.” Dat intussen opgeheven decreet betrof de financiering van de werking van hogescholen en universiteiten in Vlaanderen.

Volgens Coulier is doctoreren een door de overheid georganiseerde belastingontduiking. “Doctorandi kunnen onder andere geen beroepskosten binnenbrengen waardoor ze een, weliswaar klein, financieel nadeel hebben ten opzichte van ander academisch personeel. Maar vooral de afwezigheid van een juridisch statuut zorgt ervoor dat ze amper ergens op kunnen terugvallen.”

"De afwezigheid van een juridisch statuut zorgt er voor dat doctoraatstudenten nergens op kunnen terugvallen."

Jo Coulier

Dat bevestigt ook het onderzoek. Daaruit blijkt vooral dat stress, geen werkzekerheid op lange termijn en slechte begeleiding van een promotor de oorzaken zijn van de problematiek. Waar iemand doctoreert, is niet van belang. Het zijn de werkomstandigheden die bepalend zijn volgens de onderzoekers. Academisch personeel werkt vaak met contracten van bepaalde duur. Enkel zelfstandig academisch personeel (ZAP), zoals professoren kunnen vast benoemd zijn. Doctoraatsstudenten, assistenten en wetenschappelijk pedagogisch personeel (WPP) zijn daarentegen niet zo zeker van hun arbeidsduur en staan dan ook eerder onder druk.

Ondanks het feit dat de vakbonden reeds meermaals aan de alarmbel trokken omtrent deze problematiek, kwam er pas in 2013 schot in de zaak dankzij de welzijnswet van 1996. Die verplicht organisaties, en dus ook universiteiten, om over een Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk (CPBW) te beschikken. In sommige situaties moet de werkgever echter een beroep doen op een externe dienst. In 2013 voerde Attentia, een externe preventiedienst die onderzoek doet naar psychosociale aspecten op het werk, een onderzoek op de Brusselse universiteit dat op veel medewerking kon rekenen.

Werkgroep

Volgens dat onderzoek zijn deeltijds werken en de aard van een statuut de twee belangrijkste factoren die ervoor zorgen dat werknemers vatbaarder zijn om gepest, (seksueel) geïntimideerd of onderdrukt te worden. Hoe lager je staat op de hiërarchische ladder, hoe kwetsbaarder je bent. Deeltijdswerkende WPP’ers zijn een van de kwetsbaarste groepen en lopen hiermee het meeste risico zich depressief te voelen.

De resultaten van dit onderzoek werden voorgelegd aan het CPBW en leidde zo tot de oprichting van een werkgroep bestaande uit een interne en externe preventiedienst, een personeelsdienst en vakbondsafgevaardigden. Deze werkgroep werd actief begin dit academiejaar en werkt momenteel een beleid uit om de werkomstandigheden te verbeteren. “Meer vertrouwenspersonen voorzien biedt geen oplossing, we moeten het probleem aanpakken bij de bron.” aldus Coulier.