Buurttuinen, dak-akkers en krekels. Brussel op weg naar een nieuwe voedselketen?
Artikel gepubliceerd op 26 maart 2015 om 17:58

© Hugo A. Quintero G. / Flickr

Ruim 200 VUB’ers hebben zich online aangesloten bij Dagen Zonder Vlees. Zij gaan, als het goed is, in totaal veertig dagen lang vleesloos door het leven. In onze reeks over voeding brengen wij wekelijks een artikel waarin we met een frisse blik kijken naar wat er op ons bord ligt. Deze week: de toekomst van de voedselketen in Brussel.

Wist je dat Brussel al na drie dagen zonder voedsel zou zitten als de toevoer volledig afgesloten wordt? Met die vraag opende vrijdag 20 maart de studiedag over ecologische stadslandbouw bij de vzw Het Neerhof, een jeugd- en gezinsboerderij in Dilbeek.

Gelegen in het hinterland van Brussel ontving Het Neerhof de afgelopen veertig jaar al ruim 600.000 stadskinderen om hen in contact te brengen met landbouw. “Nu is het tijd om dit om te draaien en de landbouw naar de stad te brengen”, aldus Lieven Boelaert, voorzitter van de vzw. Door volop in te zetten op ecologische stadslandbouw in en rond Brussel hoopt Het Neerhof tegen 2040 de hoofdstad voor dertig dagen zelfvoorzienend te maken bij volledige afsluiting.

Van buurttuin tot stadslandbouw 
Maar wat is stadslandbouw precies? Dat legt Jan Vannoppen van VELT (Vereniging voor Ecologisch Leven en Tuinieren) ons uit. “Er zijn veel vormen van stadslandbouw, en er is geen eenduidige definitie. Stadslandbouw dient ook niet altijd hetzelfde doel. Voor professionele organisaties, zoals bijvoorbeeld de Vlaamse landbouwsector staat het produceren dicht bij de stad centraal. Zo vergroten ze de kansen en de winstgevendheid van professionele boeren en ondernemers. Andere initiatieven, zoals stadsbewoners die een eigen moestuin onderhouden of een buurttuin in een aandachtswijk, leggen de nadruk eerder op de sociale en ecologische meerwaarde.”

Om iets stadslandbouw te noemen moet het volgens VELT in ieder geval het stedelijk ecosysteem gebruiken. Een tweede voorwaarde is het gebruik van de urbane landbouw door dat stedelijk ecosysteem, bijvoorbeeld voor de voedselaanvoer, de verwerking van afval of de verbetering van het leefklimaat. 

De stad als tuin
VELT fungeert zelf als een adviesorgaan en tracht burgers, overheden en particulieren aan elkaar te koppelen om mensen bewust te maken van het bredere verhaal van duurzame voedselproductie, -consumptie en stedelijke ontwikkeling. “Kom los van de individuele tuin, maak van de stad je tuin door te experimenteren met ecologisch beheerd publiek groen op braakliggende terreinen, in parken, op pleinen en eventueel op daken”, luidt de idee van VELT.

Een voorbeeld uit de praktijk is de door VELT geïnitieerde samentuin aan de Koekelberg in Brussel. Op 2.800 vierkante meter worden hier zowel individuele percelen als een collectieve tuin aangeboden.

Tuinieren met jongeren
Ook Het Neerhof zelf zet haar woorden om in daden. Met hun driejarig actieonderzoek Bx-Grown wil projectleider Jan Pille jongeren in contact brengen met landbouw en samen nieuwe modellen ontwikkelen voor het kweken van eigen voedsel. De deelnemende jongeren krijgen een aandeel van de opbrengst die Het Neerhof hoopt te halen uit de verkoop van de producten op markten en aan socioculturele instellingen in en rondom Brussel. “Zo leren de jongeren ook omgaan met de ondernemende en economische aspecten die bij landbouw komen kijken”, aldus Pille. 

Dat stadslandbouw ook voor marktpartijen en op grotere schaal interessant kan zijn laat het Urban Farm-project van Abattoir zien. Direct naast de grote markthal waar al wekelijks de voedselmarkt van Anderlecht neerstrijkt, realiseert Abattoir een voedingshal met op het dak een Urban Farm. Deze dak-akker zal een oppervlakte van maar liefst vierduizend vierkante meter hebben. Het moet plaats bieden voor het verbouwen van groenten en andere gewassen die onder andere verkocht kunnen worden op de naastgelegen markten.

Krekels. De nieuwe sushi?
​Maar er zijn meerdere vormen van stadslandbouw. Dat bewijst Little Food, een bedrijfje dat krekels produceert, verwerkt en promoot als voeding. Dat moet bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe duurzame voedselproductie- en distributiesystemen.

Als het aan Nikolaas Viaene van Little Food ligt eten we straks dus allemaal krekels: “Want dit insect is ecologisch, lekker en gezond.” Doordat insecten koudbloedig zijn moeten ze geen energie steken in warmteregulatie en zijn ze veel efficiënter in de aanmaak van proteïnen. Vergeleken met runderen hebben krekels 25 keer minder voedsel en zeshonderd keer minder water nodig en produceren ze zestig keer minder broeikasgassen. Of zoals Viaene het zegt: “Tien kilo voedsel levert wel acht kilo krekel. Bij een rund levert tien kilo voedsel nog niet eens een kilo rundvlees op.”

Viaene kan niet voor anderen bepalen of krekels lekker zijn. “Voor de één smaakt het naar noten, de ander houdt het op gebraden kip. Feit is dat we het in Europa niet gewend zijn”, vervolgt hij, “maar wereldwijd worden in meer dan 80 landen insecten gegeten.” Little Food heeft er dan ook alle vertrouwen in dat het gaat lukken om de mensen in België aan de krekels te krijgen. Ze bieden hun assortiment van pure krekel, gedroogde krekel, chocoladekrekel en krekeltapenade aan natuurvoedingswinkels en andere geïnteresseerden aan.

Voor de avonturiers
Voor de echte avonturiers verzorgt Little Food ook degustaties op evenementen en feesten waar het hele smakenpallet van de krekel naar voren komt. Op het menu staan dan bijvoorbeeld krekelroom, krekelnougatine en krekels bereid op Congolese of Thaise wijze. “Op evenementen is het vaak makkelijker voor mensen om de culturele barrière van het eten van insecten te overwinnen, zegt Viaene.

“Ons eetpatroon is immers sterk cultureel beïnvloed. Wat wij hier normaal vinden om te eten, kunnen ze zich aan de andere kant van de wereld niet voorstellen. In Nepal vinden ze kaas bijvoorbeeld afschuwelijk, vertelde een vriend mij. En als je erover nadenkt is het ook vreemd. Het is eigenlijk een soort slecht geworden melk.” Om zijn punt kracht bij te zetten wijst Viaene op de Europeanen die voor het eerst in aanraking kwamen met sushi: zij moesten ook niets hebben van die rauwe vis. Dat is nu wel anders. Viaene nodigt dan ook iedereen uit een keer langs te komen bij Little Food: “Door transparant te werk te gaan hopen we de taboe op het eten van insecten te verbreken. We bieden rondleidingen en kookworkshops aan op locatie in Sint-Gilles”

Uitdagingen
Kleven er dan helemaal geen nadelen aan stadslandbouw? Zeker wel. Stedelijke vervuiling gooit in veel gevallen letterlijk en figuurlijk roet in het eten. Er zijn verschillende technische maatregelen om dit te beperken, maar het blijft een probleem. Daarom is niet elk gewas geschikt om te verbouwen in de stad. Het beste kunnen producten met een korte kweektijd worden gebruikt, zodat ze niet lang aan vervuiling worden blootgesteld.

Maar het biedt ook een kans, denkt Pascal Smet, Brussels minister van Mobiliteit en Openbare Werken. “Als we erin slagen om meer stadslandbouw in Brussel te realiseren, worden mensen zich misschien bewust van de negatieve impact die het Brusselse mobiliteitsprobleem en bijkomende vervuiling hebben op onze gezondheid en voeding. Dan zijn ze misschien eerder bereid er iets aan te doen.”

Iedereen is het in elk geval over een ding eens: stadslandbouw moet echt duurzaam en haalbaar zijn. Het mag geen hippe hobby worden die uiteindelijk draait op subsidie en maar weinig oplevert. Dit is nu nog te vaak het geval.