Het is tijd voor een nieuwe generatie natuurfilosofen
Artikel gepubliceerd op 20 maart 2015 om 13:01

© De Moeial, Sarah Fellahi

Consumeren kan niet meer zonder gewetensvragen. Collectieve actie van consumenten kan dan ook het kapitalisme van de grootwarenhuizen en multinationals beïnvloeden, zo gaat de heersende opvatting. Volstaat dat eigenlijk wel? Is er niet iets fundamentelers mis met de verhouding tussen mens en aarde?

Biologisch, groen en gezond: zo ziet het ideale dieet er vandaag uit. Supermarkten spelen daarop in en verkopen allerlei producten die groener, gezonder of eerlijker zijn.

De filosoof Peter Singer is er al langer van overtuigd dat elke aankoop in de supermarkt een daad van democratie is. Met elke aankoop, koop je niet enkel het product, maar ook het productieproces en de keuzes die de fabrikant maakt. Goedkope chocolade van het huismerk kopen? Dan stem je waarschijnlijk onrechtstreeks in met uitbuiting van cacaoboeren. Goedkope kip in de aanbieding? Dan koop je een aandeel in de bio-industrie, antibiotica en hoge CO2-uitstoot.

“It’s not just what you’re buying. It’s what you’re buying into.” Zo citeert de Sloveense filosoof Slavoj Žižek een slogan van de populaire koffieketen Starbucks. Teleurgesteld concludeert hij in The pervert’s guide to ideology dat we ons het einde van de wereld nog beter kunnen voorstellen dan het einde van het kapitalistisch systeem. We maken bijvoorbeeld talloze apocalyptische films, maar er zijn nauwelijks films waarin het kapitalisme aan zijn einde komt.

Een aantrekkelijk idee is het wel: de macht ligt bij de consument. Al onze winkelmandjes samen hebben genoeg kritische massa om een verschil te maken. Willen wij sojakaas in plaats van koemelkkaas, dan zullen we die krijgen. Hetzelfde geldt voor koffie waar boeren eerlijke prijzen voor kregen en biologische kip in plaats van haar vetgemeste, opgehokte zuster.

Stemmen in de supermarkt
Maar vergis je niet, zegt Žižek, dit ethisch consumentisme lost niets op. Het is niets meer dan ‘capitalism with a human face’. Bedrijven merken dat mensen best wat meer willen betalen voor een product dat duurzamer, groener, kortom beter is voor de planeet. Daar spelen ze op in door zichzelf met zo’n doel te verbinden. Of dat nu ingegeven is door een gevoel van moraliteit en ethische verplichtingen of slechts een trucje is voor meer winst, is moeilijk te zeggen. Toch vindt Žižek deze vorm van consumptie niet voldoende en zelfs erger dan flagrante uitbuiting. Hetzelfde zegt hij overigens over sociaal-democraten, die het kapitalisme draaglijk hebben gemaakt en daarom erger zijn dan kapitalisten of liberalen. Zij houden het onrechtvaardige systeem namelijk in stand.

Als we toch ethisch willen consumeren, dan blijkt dit vaak erg lastig. In The way we eat beschrijven ethicus Peter Singer en co-auteur Jim Mason de voedselkeuzes van verschillende gezinnen met als grootste verschil hun inkomen. Het is meteen duidelijk dat het democratisch ideaal van stemmen-met-je-dollars niet voor iedereen is weggelegd. Het armste gezin is dat van Jake en Lee, een koppel met twee kinderen dat in Arkansas woont. Zij eten wat Singer en Mason het ‘standaard Amerikaanse dieet’ noemen met weinig verse groenten en veel vlees, dat ze kopen bij Walmart. De milieu-impact van hun eetgewoonten is hoog, en gezond zal het op de langere termijn ook niet zijn. Helaas is het inkomen van het stel te laag om voor bijvoorbeeld organisch en lokaal voedsel te kiezen. De keuze tussen verantwoord en onverantwoord eten is voor dit soort gezinnen dus hypothetisch. In feite zijn ze veroordeeld tot de Walmart.

Net daarom is er meer nodig dan collectieve actie van de consument. De keuze tussen duurzaam en niet-duurzaam zou eigenlijk niet mogen bestaan. De voedselproductie moet in zijn geheel duurzaam en verantwoord zijn. Maar daar zijn we nog lang niet.

Een vraag blijft echter onbeantwoord: waarom zouden we eigenlijk milieubewust moeten leven? Waarom moet een mens zich bekommeren om toekomstige generaties? Die vraag is volgens de Nederlandse filosoof Bas Haring niet zo eenvoudig te beantwoorden als we zouden denken. Hij heeft er zelf in ieder geval moeite mee. In zijn populariserend essay Het aquarium van Walter Huijsmans schrijft hij erover. De natuur krijgt volgens Haring vaak een intrinsieke waarde toegekend, maar volgens hem zijn we het uiteindelijk vooral aan toekomstige generaties verplicht om goed voor de aarde te zorgen. Het is een soort Kantiaanse redenering: de mens is een doel op zich, wat wil zeggen dat we de plicht hebben om elkaar goed te behandelen. Haring breidt die notie uit naar de mensen die nu nog niet geboren zijn, maar in de toekomst wel op de aarde rondlopen. Ook voor hen moeten we goed zorgen.

De redenering van Haring klinkt simpel en effectief. Hij biedt ons een rationele grond om te handelen op een manier die de planeet niet beschadigt door komaf te maken met de idee dat de natuur een intrinsieke waarde heeft. Dat komt namelijk niet erg rationeel over en irrationaliteit is de vijand van de filosofie.

En toch maakt Haring een vergissing door de natuur te ontdoen van haar intrinsieke waarde. Die is er namelijk wel, alleen zien we haar niet meer. Waarom de natuur een intrinsieke waarde heeft? Omdat ze deel uitmaakt van het wezen van de mens. Dat lijkt een zweverige vaststelling, maar aan de basis ervan liggen rationele argumenten.

Alles is water
De Nederlandse hoogleraar filosofie René ten Bos maakt in zijn boek Water duidelijk hoe de aanwezigheid van zeeën en rivieren ons denken hebben beïnvloed. Hij gaat na hoe filosofen hebben gedacht over water. Zo schrijft hij uiteindelijk een geofilosofische geschiedenis van ons denken, met als kerngedachte dat het uitzicht van de aarde invloed heeft op de wijze waarop mensen denken.

Ten Bos’ verhaal begint bij de Griekse filosoof Thales van Milete. Hij staat bekend als een van de presocratische natuurfilosofen, die het mythologisch denken probeerden te vervangen door een rationeel, empirisch gedachtengoed. De natuurfilosofen zochten de grondoorzaak, de archè, in de aardse wereld, niet tussen de goden. Voor Thales was die archè water. Vaak worden Thales en de natuurfilosofen weggezet als naïeve denkers. Met stellingen als: alles is water, alles is vuur (Herakleitos), alles is lucht (Anaximenes) of alles is het ‘onbepaalde’ apeiron (Anaximander) zijn ze nauwelijks nog overtuigend voor de hedendaagse lezer.

Ten Bos rehabiliteert Thales en een aantal van zijn tijdgenoten. Zijn denken was niet zo eenzijdig als vaak wordt voorgesteld. Het was zelfs een vooruitgang omdat hij het denken wegvoerde van het rijk der mythen en onverklaarbare legendes. Water was zijn aardse verklaring voor het onverklaarde. Waarom de presocraten ons zo eenzijdig voorkomen, is te verklaren doordat er weinig primaire bronnen bewaard zijn gebleven. Wat we van Thales weten komt veelal uit geschriften van Plato, en die had het niet zo begrepen op de natuurfilosofen.

Dat blijkt ook uit De Staat, waarin Plato de perfecte staatsvorm beschrijft, die zoals bekend heel wat totalitaire trekken heeft. In dat werk komt naar voor dat Plato een afkeer voor de zee heeft, schrijft Ten Bos. De ideale stad moet volgens Plato eigenlijk minstens vijftien kilometer van de kust verwijderd zijn, aangezien een stad die bij de zee ligt moreel ontspoort. Zeker havens zijn oorden van onzuiverheid en onbetrouwbaarheid door de handel die ze met zich meebrengen.

Waarom zouden we eigenlijk milieubewust moeten leven? Waarom moet een mens zich bekommeren om toekomstige generaties?

Gebieden die gedomineerd zijn door de zee zijn volgens Ten Bos inderdaad chaotische en niet-hiërarchische oorden. Door de bijzondere relatie met de zee konden in het oude Griekenland democratische staatsvormen ontstaan. Absolute macht wordt vroeg of laat altijd verdrongen door mensen die discussiëren op pleinen. “Het geruis van de democratie is een echo van de zee”, aldus Ten Bos. Plato’s ideale staat was niet democratisch. Van de zee was hij dan ook geen minnaar. Latere filosofen zouden voornamelijk blijven zoeken naar een vaste grond. Een die meervoudigheid en pluraliteit weg kon werken. 

In de loop van ruim 2000 jaar willen samenlevingen en culturen al eens veranderen. De wereld van vandaag is geglobaliseerd, verstedelijkt en geïndustrialiseerd. In het grootste deel van de wereld is het kapitalisme ingevoerd en daarmee is ook onze relatie tot de natuur veranderd. Grondstoffen en gewassen die de aarde voortbracht werden gemonetariseerd en zo snel en efficiënt mogelijk aan de aarde onttrokken, zonder rekening te houden met de duurzaamheid van dat alles. Inmiddels zijn de gevolgen van deze omgang met de aarde bekend en moeten we leven met de consequenties van de achteloosheid uit het verleden.

Met die verschuiving naar kapitalisme is volgens Ten Bos ook onze houding ten opzichte van de zee veranderd. De zee vertegenwoordigt onder andere ‘biokapitaal’, zo stelt hij. De zee werd een vrije ruimte waarin tijd en ruimte geëlimineerd werden. “Wie alleen geïnteresseerd is in marktwerking, wenst niet langer na te denken over waar die markten zich bevinden”, zo stelt de Nederlandse filosoof.

Hoewel Ten Bos het alleen over de relatie tussen mens en water heeft, legt hij tegelijkertijd bloot hoe onze geofilosofische bril is afgevallen. We verhouden ons op allerlei manieren tot de natuur, maar bij de invloed van de natuur op de mens staan we nauwelijks stil. We willen de natuur vooral beheersen, ontginnen en gebruiken. We herinneren ons de Kantiaanse houding: de enige reden om goed met deze planeet om te gaan, is omdat het onze morele verplichting is ten opzichte van toekomstige medemensen. Kant ontwikkelde een ethische leidraad op basis van de categorische imperatief. Een van de belangrijkste grondregels van die leidraad is dat je de mens nooit slechts ‘als instrument’ mag behandelen. De mens is altijd een doel op zich.

Wat Kant daarmee bedoelt is dat je een persoon nooit alleen maar als middel mag gebruiken om je eigen doel te bereiken. Stel: ik ben aardig tegen mijn buurman en begroet hem vriendelijk als ik hem tegenkom. Tot zover heeft Kant daar geen problemen mee. Maar als ik mijn buurman respectvol behandel opdat hij mij zijn gereedschap blijft uitlenen dat ik zelf niet heb en niet van plan ben om aan te schaffen, dan gedraag ik mij volgens Kant niet ethisch. Ik reduceer mijn buurman dan immers tot een middel – de leverancier van gereedschap – en behandel hem niet als doel op zich.

Kant beschouwt het als onze plicht om in overeenstemming met zijn categorische imperatief te handelen. Ook dat zien we terug bij Haring: we moeten de aarde goed verzorgen omdat we dat verplicht zijn aan onze toekomstige medemensen. En dat moet omdat zij als mens een intrinsieke waarde hebben.

Daar is weer dat woord: intrinsiek. De mens is volgens Kant, en kennelijk ook volgens Haring, intrinsiek waardevol. Een mensenleven heeft bijgevolg waarde simpelweg omdat het een mensenleven is. Dat is een erg gunstige basis om een ethiek op te bouwen, maar de natuur komt er in die redenering iets minder goed van af: als we de natuur alleen moeten beschermen omdat de mens daar in de toekomst baat bij heeft, dan ken je de natuur juist een instrumentele waarde toe en geen intrinsieke.

Wie zich inzet voor het milieu heeft weinig bij Kant te zoeken, zo lijkt het. Dankzij Ten Bos is het Kantiaanse denken echter ineens verzoenbaar met ethisch handelen ten opzichte van de natuur. Als de omgeving het denken van de mens heeft beïnvloed, dan is die natuur immers een wezenlijk onderdeel van het menselijk leven. Zo verkrijgt de natuur, via de mens, dan toch waarde op zichzelf, zonder daarmee ondergeschikt te zijn aan de waarde die de mens toegekend wordt.

En zo zijn we aanbeland bij een rationele verklaring van de intrinsieke waarde van de natuur. Het verlies van de natuur, betekent een verlies van menselijkheid. Niet omdat het ons denken dan verandert – veranderende denkbeelden zijn niet per se goed of slecht – maar omdat het ons denken inperkt. En een vernauwing van ons geestelijk leven, kunnen we toch onmogelijk als goed bestempelen. Als de mens waardevol is, dan is ons denken dat immers ook.

Maar we zijn er nog niet. Als we deze redenering volgen, brengt ons dat bij een erg pijnlijke conclusie. Is de moderne mens niet al tijden bezig met het uitsluiten van de natuur? Zien we de natuur niet al veel te lang als biokapitaal? En moeten we dan allemaal in een boshutje gaan wonen?

Het klopt dat steden niet bepaald oases van groen zijn. De stad ruilt natuur in voor beton, staal en glas en noemt dat vervolgens vooruitgang. En dat is ook niet helemaal onwaar. Afgezien van de paar kampeerfanaten onder ons, wil waarschijnlijk niemand terug naar de lemen hut in het woud.

In plaats van met dermate extreme eisen te komen waar geen mens aan zal voldoen, is het beter om te kijken wat de geofilosofische bril van Ten Bos ons praktisch kan opleveren. Denken vanuit het perspectief dat de natuur op zich belangrijk is, leidt tot een behoudende omgang met die natuur. Als men destijds over de rivieren had nagedacht zoals Ten Bos dat doet, dan had de Zenne in Brussel nu misschien niet onder de grond gelegen. Door minachtend met de rivier om te gaan, raakte hij ernstig vervuild. Tussen 1867 en 1871 werd de Zenne overwelfd omdat hij de bron zou zijn van een cholera-uitbraak. Ook van het wisselend debiet van de rivier moest men niets hebben. Er waren overstromingen doordat de bedding te smal was door bebouwing, of juist te lage debieten omdat het water van de Zenne ook moest dienen om het kanaal van Charleroi aan te vullen. Dat kanaal had immers de transportfunctie van de Zenne overgenomen.

Zonder het gevaar voor ahistorische vergelijkingen te willen veronachtzamen, kunnen we toch voorzichtig stellen dat de mensen de rivier in het verleden te veel als instrument hebben beschouwd en er te weinig waarde aan gehecht hebben.
Het denken van Ten Bos, gecombineerd met de Kantiaanse plichtethiek levert uiteindelijk een behoudende positie tegenover de natuur op. Evengoed kan het proactieve actie rechtvaardigen, om fouten uit het verleden te herstellen.

Geofilosofie verdient alleen al daarom een vaste plek in ons denken over mens en natuur. Uitsluitend bouwen op de collectieve consumentenactie die Peter Singer voorstelt is niet langer genoeg. Bovendien legt het een te zwak fundament om zelf een duurzame basis te vormen voor ons denken over de toekomst van deze planeet. De tijd is rijp voor de natuurfilosofen van de 21e eeuw.