Editora
Artikel gepubliceerd op 20 maart 2015 om 13:02

Funest. Zo wordt de beslissing van VUB-rector Paul De Knop om politieke inmenging van de Israëlische ambassade in de programmatie van de Israeli Apartheid Week toe te laten, het best omschreven. Funest voor het heersende gepolariseerde klimaat in Brussel, België en Europa. Funest voor de vrije geest van de universiteit. Funest voor de verhouding tussen studentenengagement en academische overheid.

Het rectoraat heeft zich laten overdonderen door de grandeur van de Israëlische ambassade. Op haar verzoek ging de VUB zich bemoeien met de programmatie. Een bijzonder ongelukkige zet.

Natuurlijk ging er die vrijdag een alarmbel af. De ambassadeur van Israël stuurt immers niet iedere week een bode naar Pleinlaan 2.

Als de commotie echter één iets bewijst, is dat het communicatieve falen van een rectoraat in crisistijd. Betrokken partijen werden ten vroegste maandagvoormiddag gecontacteerd. Maar in de tussentijd werd er in het weekend wel eerst flink wat bedisseld in de M. Paradoxaal genoeg eiste het rectoraat een wederwoord zonder eerst zelf de organisatie of de facilitator een wederwoord te gunnen.

Mocht het rectoraat dat wel gedaan hebben, zou de situatie nooit dermate geëscaleerd zijn. De redenering was immers klinisch en simplistisch. Israeli Apartheid Week plus kritiek uit joodse hoek is gelijk aan 'scenario 2011'; Israeli Apartheid Week plus foutief gereserveerd lokaal is gelijk aan 'lezing vindt geen doorgang'. In 2011 verplichtte de VUB immers ook om een spreker aan het programma van de Apartheid Week toe te voegen.

De kritiek aan het adres van het Skype-interview met Khalida Jarrar richtte zich voornamelijk op het feit dat het PFLP, waar Jarrar lid van is, op de lijst van terroristische organisaties van de EU en Verenigde Staten staat.

Altijd stekelig, dat soort wereldpolitieke Indexen. De VS bijvoorbeeld schrapte het ANC en Nelson Mandela in 2008 (tweeduizendenacht) pas van de hunne. De Europese lijst is weliswaar korter dan de Amerikaanse, maar naast een etiket is er ook steeds een context. Jarrar is zelf niet ontzien door de staat Israël: in 2010 mocht ze de Westelijke Jordaanoever niet verlaten voor een hersenonderzoek dat ter plekke niet mogelijk was en vorig jaar stonden er nog vijftig soldaten aan haar deur in Ramallah met een uitdrijvingsbevel, te voldoen binnen de 24 uur. Bovendien: het ging om een Skype-interview. Een. Skype. Interview.

Opmerkelijk overigens dat enkel Jarrar stof deed opwaaien. De lezing van Yonatan Shapira de dag nadien was minstens even polemisch. Stel dat u Bibi Netanyahu was, wie zou u het liefst onthouden zien van een spreekgestoelte? Een Palestijns volksvertegenwoordiger die in de parlementaire vergadering van de Raad van Europa (die Raad van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg) zetelt, of een lezing van een ex-officier die quasi deserterend naar de andere kant is overgestapt en zich heeft aangesloten bij de BDS-beweging?

Het flagrantste was nog het muilkorven van Lucas Catherine. Zijn lezing mocht niet doorgaan omdat het gereserveerde lokaal foutief was aangevraagd. Een simpel telefoontje had kunnen verhelderen dat het om een jammerlijke vergissing ging zonder kwade bedoelingen.

De beslissing van Catherine om zijn lezing dan maar zelf af te blazen, was de enige juiste. De beslissing van de organisatie om de Israëlische ambassade niet expliciet uit te nodigen, was dat eveneens. Dat blijft overigens een doorzichtige voorwaarde. Alsof de ambassade uit zichzelf geen afgevaardigde naar de evenementen zou sturen zonder expliciete uitnodiging.

Met andere woorden is de uiteindelijke uitkomst van de inmenging dezelfde als wanneer er geen inmenging geweest zou zijn: vrije toegang tot een lezing.