Essay: De publieke ruimte is van mij
Artikel gepubliceerd op 16 december 2014 om 17:01
Winterpret 2014    
© De Moeial, Margot Quix

De openbare ruimte is een kostbaar goed in de stad: vrij toegankelijk en een ontmoetingsplaats voor iedereen die er woont of er op bezoek komt. Het is een uithangbord. Ook voor Brussel zijn de pleinen zoals Flagey, het De Brouckèreplein, het Sint-Gillisvoorplein en de Grote Markt plekken waar mensen samenkomen. Als een plek er voor iedereen is, wie bepaalt er dan hoe die eruitziet?

Brussel kruipt uit een diep dal. Nog in 2003 stelde Francois-Xavier De Donnea, op dat moment minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en voormalig burgemeester van de stad, dat Brussel sinds 1995 een trage maar voortdurende verslechtering ondergaat van de gemeentefinanciën. De reden van de dalende cijfers was volgens hem door de toename aan steuntrekkers bij sociale diensten.

Dat de situatie sindsdien veranderd is, kunnen we aan alles merken. In nog geen tien jaar tijd is vooral het centrum weer gaan leven. Wijken bloeien op, nieuwe cafés openen op plekken waar niemand wilde komen, buurten lijken veiliger te worden en men wil weer in het centrum komen wonen. Dit heeft wel tot gevolg dat de aantrekkingskracht van de rijkere middenklasse ook de huurprijzen doet stijgen. De pendelaar die geen zin meer heeft om uren in de file te staan heeft een fiets gekocht en vestigt zich dicht bij zijn werk. Klassieke gentrificatie is in volle gang.

Niet enkel de bewoners zelf lijken baat te hebben bij de nieuwe opleving van de stad. Ook de politiek ziet zijn kans schoon om hier een slaatje uit slaan. In september werd bijvoorbeeld het Heilig-Kruisplein bij Flagey een weekend lang bezet door een groot Smart-dorp. Bij de promotie van het kleine stadsautootje hoorden luide muziek en een groot podium voor de dj. De baten voor de gemeente Elsene? 36.000 euro die besteed werd aan nieuwe kerstverlichting. Het evenement, dat voor veel protest van omwonenden en oppositie zorgde, is een enkel voorbeeld van de inname van de publieke ruimten in Brussel door privébedrijven. Maar er zijn nog vele andere voorbeelden te noemen. Zo vestigde het Pop-uprestaurant van VTM zich wekenlang op het Muntplein.

Sluikreclame in de straten

Dit zijn voorbeelden waarin we duidelijk kunnen zien dat er voor beide partijen een ondubbelzinnig voordeel meespeelt. De stad faciliteert de ruimte en het privébedrijf geeft rechtstreeks geld aan de gemeente. Maar meestal zijn de kosten en baten van een evenement voor de stad niet zo zichtbaar. De kerstmarkt is op het eerste gezicht een gezellig evenement waar iedereen plezier aan kan beleven. De standhouders betalen de stad huur maar verdienen dit terug door de verkoop van drank en prullaria. Maar dit is zeker niet het enige waar de stad Brussel zijn geld aan verdient. Als we door de kerstmarkt lopen kunnen we op een paar seconden de hoofdsponsoren eruit pikken. RTL heeft haar eigen lokaal voor een opnameruimte, Elektrabel geeft met een lichtshow tegen de Sint-Katelijnekerk aan dat ze aanwezig is en door de Kersmarktroute heen worden we begeleid door Lotto-spandoeken. 

Al het spektakel kan je als bewoner van Brussel een vervreemdend gevoel geven. De stadsbewoner wordt nog maar eens extra geconfronteerd met de commercialisering van de publieke ruimte. Het is rond de Beurs dan ook zoeken naar een bankje om rustig bij te komen.

Brussel maakt flink gebruik van haar publieke ruimtes om wat extra centen in de gemeentekas te krijgen. Dat het ook anders kan, bewijst de Franse stad Grenoble. Haar nieuwe groene burgemeester Éric Piolle wil af van de grote reclameborden. Hij noemt ze achterhaald en behorend tot een vorig tijdperk. Hierdoor heeft het stadsbestuur van Grenoble besloten om het contract met de exploitant JC Decaux niet te verlengen. Door de crisis is de winst op de reclameborden een stuk kleiner geworden voor de stad; het is niet meer nodig om de straten visueel te bevuilen. 

Brussel als ‘tourist trap’ 

Vooral in de wintermaanden tijdens Winterpret lijkt het centrum zich om te vormen tot een spektakelstad. De toerist kan zich vanaf het centraal station laten meezuigen in de stroom van toeristen die zich door de smalle straatjes perst. Alles is voorzien: een groot scala aan eet- en dranktentjes helpt je aan eten en op elke straathoek staat een tijdelijk openbaar toilet. Onderweg passeer je nog Manneken Pis en de Grote Markt. De toeristische ruimte is een afgebakend gebied tussen de Vismarkt en het Centraal station.

Dit fenomeen typeerde Erik Cohen in 1972 als de environmental bubble, de toeristische bubbel. Een bepaalde ruimte wordt gecreëerd voor toeristen, waarin zij volledig geregulariseerd worden. De toerist wordt gegidst langs plekken waar de authenticiteit van een stad of een land getoond wordt. Een beter voorbeeld hiervan is Brugge, waar het historisch centrum volledig in het teken staat van de toerist. 

De vraag die oprijst: is Brussel een echte tourist trap aan het worden? Zo lang is het immers niet geleden dat toeristen enkel Manneken Pis, het Atomium en de Grote Markt bezochten. Nu toeristen ook eindelijk de wat minder voor de hand liggende plaatsen opzoeken, breidt ook het toeristisch gebied uit. Maar zelfs de minst avontuurlijke toerist verdwaalt weleens en merkt dat er een straat verderop alweer een woonwijk ligt. In vergelijking met steden als Parijs, Londen of Amsterdam is ons toeristisch gebied nog maar een kleine stoeptegel. De grote pleinen in de woonwijken zijn nog altijd van de bewoners zelf. 

De angst voor disneyficatie 

Brussel-Stad maakte eind november het nieuwe mobiliteitsplan bekend. De centrale lanen zullen autoluw worden en met verschillende verbindingslussen zullen de auto’s beter uit het centrum wegstromen. Ook wil de gemeente vier nieuwe parkeergarages bouwen onder bestaande pleinen. Een daarvan aan het Vossenplein of Place du Jeu du Balle. Dit leidde tot een kleine volksopstand van bewoners. “Touche pas à mon jeu de Balle! Handen af van mijn Vossenplein”, werd er geroepen door de betogers die op maandag 29 november aanwezig waren op de gemeenteraad. Het mobiliteitsplan werd toch goedgekeurd. 

De angst regeert dan ook onder sommige inwoners van Brussel. Met de plannen voor een autoluw centrum lijkt de tourist trap in de maak. Men is bang voor de zogenoemde disneyficatie van het centrum. Het centrum zal nog enkel bestaan voor de toeristen, waar zij in de artificiële wereld van Brussel de macht hebben en waar enkel nog de grote bedrijven een zaak kunnen uitbaten. Buiten dat centrum, achter het decor van de pracht en praal, zien we het arme Brussel met haar vele files door de woongebieden. 

Die disneyficatie is ook waar sociologe Sharon Zukin over spreekt in haar boek Naked City. Volgens haar draait de kracht van een stad om authenticiteit. Steden streven er dan ook naar om zo authentiek mogelijk te zijn. Iedere stad moet een eigen stempel krijgen. Maar juist die aantrekkelijkheid van de authentieke stad trekt meer bedrijven aan. De rijke toerist brengt geld in het laatje. De kleine bruine kroeg wordt vervangen door een Hard Rock Café en een klassiek Belgisch restaurant moet plaatsmaken voor een hippe bar. Met een parking onder het Vossenplein faciliteert men mensen van buiten de stad om de authentieke Vossenmarkt te bezoeken. De angst voor het verlies van de authenticiteit van de Vossenmarkt is reëel als die wordt overstroomd toeristen. 

Een andere stad vormgeven

Ten slotte kunnen we ook kijken naar wat de verandering van de publieke ruimte betekent voor de bewoners zelf. Ook daar zie je een authenticiteit die moet plaatsmaken voor modernisering. In nog geen tien jaar tijd is de Dansaertstraat veranderd van een donkere straat naar een hippe fashionboulevard. De Oude Graanmarkt wordt nu ingenomen door mama’s met hippe koetsen die een caffè latte komen drinken. De buurt wordt hier niet, zoals in het toeristengebied, ingenomen door groothandelaars en multinationals, maar creëert ook een vervreemding voor de bewoners die niet mee kunnen in de verhipping van de buurt.

De plaats mag nu wel aangenamer gemaakt zijn voor een bepaald publiek, er blijft een vorm van machteloosheid voor de mensen die daar niet bij horen. Wie niet weet wat een latte is, durft niet meer de stap te nemen om het publieke gebied van de Dansaertwijk binnen te gaan. Zo ontstaat er in Brussel ook een bepaalde segregatie in de publieke ruimte die niet veel te maken heeft met verlies van authenticiteit door toerisme, maar wel door het verlies van authenticiteit door homogenisering van een gebied. 

Wat te doen met Brussel?

De gemeente en het gewest hebben de moeilijke taak om van Brussel een heterogene stad te maken waar wonen en toerisme samen kunnen gaan. Dit betekent wel dat de beleidsmakers zich sterk moeten opstellen tegen de verleiding van het grote geld dat toerisme met zich meebrengt. De grote publieke ruimten zijn natuurlijk een perfect middel om groot geld binnen te halen. Juist als de weegschaal snel kan kantelen van een authentiek evenement naar een evenement waar Brussel veel aan kan verdienen, is de verleiding van de commercialisering toch erg groot, zoals bij de kerstmarkt en de parking onder het Vossenplein.

We moeten ook niet vergeten dat, hoewel Brussel nu in een stijgende lijn zit, er nog altijd een derde van de Brusselse kinderen in armoede wordt opgevoed, vaak in buurten waar de pleinen en straten nog altijd niet bedoeld lijken te zijn om er heen te gaan. De komende jaren zal dan ook uitwijzen of de stad zal kunnen omgaan met de verleidingen die het nog te wachten staat en het lef heeft om ook in de mindere buurten te gaan voor een publieke ruimte voor iedereen.