Docu 9999: Merksplas, de vergeetput van justitie?
Artikel gepubliceerd op 28 november 2014 om 15:07

© 9999themovie.com

“Zwakzinnige criminelen kunnen niet verantwoordelijk gesteld worden voor hun daden, ze horen niet thuis in een gevangenis, maar dat is wel waar ze vaak eindigen, bij gebrek aan een alternatief. Zonder behandeling en zonder perspectief. Tijd verliest hier iedere betekenis.”

Zo opent Ellen Vermeulen haar documentaire 9999 over geïnterneerden in België, die afgelopen woensdag door studiekring Vrij Onderzoek werd vertoond op de VUB. Het is een rustige, maar uiterst pakkende documentaire, die een schrijnende werkelijkheid onverbloemd naar voor brengt. “Hier leef je niet, hier word je geleefd.”

De documentaire toont het verhaal van Joris, Ludo, Wilfried, Steven en Salem, vijf mannen in de gevangenis van Merksplas. Alleen dit hebben ze met elkaar gemeen: hun interneringsstatuut, een geestelijke gezondheidsproblematiek en hun datum van vrijlating: 31 december 9999.

Vermeulen: “Vanaf het begin was het duidelijk dat het niet de bedoeling was dat ik de instelling in een slecht daglicht zou plaatsen noch de mensen vanuit crimineel oogpunt zou benaderen.” We zien fragmenten uit hun leven tussen vier muren en een wc-pot, met medicatie als enige begeleiding, waarvan de geïnterneerden zelf de dosis moeten kennen. “Laat ik er nu anders twee nemen, anders heb ik vanavond te veel.” Dit is geen film, geen op feiten gebaseerde weergave, dit is de werkelijkheid.

In de Belgische gevangenissen zitten momenteel bijna 1100 van de 4000 geïnterneerden opgesloten zonder begeleiding. Het probleem is al gekend sinds 1964 en de Liga voor Mensenrechten kaartte het probleem al vaker aan. De Commissie ter Preventie van Foltering en Onmenselijke en Vernederende Behandeling (CPT), opgericht in de schoot van de Raad van Europa, dringt er na haar bezoeken aan België steeds opnieuw op aan om de schrijnende situatie van de geïnterneerden in de gevangenis aan te pakken. België is bovendien reeds veertien keer veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg voor slechte behandeling van geïnterneerden. De staat betaalt de schadevergoedingen, maar wanneer lost de overheid het probleem op?

“Toch jammer dat Vrouwe Justitia blind is”

Na de documentaire volgde een panelgesprek tussen Henri Heimans van de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij, Abderrahim Lahlali, advocaat van een aantal geïnterneerden, Nancy Bleys kabinetsmedewerkster van Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) en SP.A-senator Bert Anciaux. Die laatste is tevens auteur van een wet uit 2014 die geïnterneerden een betere behandeling zou moeten geven. Een wet waarvan de inwerkingtreding overigens al luttele keren is uitgesteld. Januari 2016 wordt inmiddels vooropgesteld. De reactie vanvoormalige minister van Justitie Annemie Turtelboom (Open VLD) op een schriftelijke vraag spreekt boekdelen: “Ik zal de regering  net zoals ik overigens ook bij de begrotingsopmaak 2013 heb gedaan – bij de begrotingsopmaak 2014 opnieuw verzoeken geld vrij te maken voor de problematiek van de internering.”

Het werd een relatief vurig debat, waarin de frustraties vaak duidelijk merkbaar waren. Maar uiteindelijk wilde elk panellid hetzelfde: verandering. Want de situatie zoals ze nu is, is onhoudbaar. Heimans: “Internering is het zwaarste middel dat justitie heeft, de ergste straf die je kan krijgen. Dit middel in handen hebben, schept verplichtingen. Wat deze verplichtingen inhouden is vaak nog té onduidelijk. Er bestaan geen gestandaardiseerde behandelingen voor deze gevallen, wat inhoudt dat er gewoonweg geen tot weinig behandeling is. “

Wie strafbare feiten pleegt omwille van een geestesstoornis, kan niet verantwoordelijk voor zijn daden worden geacht. Juridisch mag het dan niet om een straf gaan, maar om een maatregel met het oog op behandeling, hoewel de opsluiting van geïnterneerden in de gevangenis wel aanvoelt als een straf. Overigens eentje waar geen datum van vrijlating op gekleefd wordt: een maatregel met oog op behandeling houdt pas op wanneer men ‘beter’ is. Behandeld wordt er echter nauwelijks of niet.

Verbetering in zicht?

Elke internering begint met een psychiatrisch rapport dat de geïnterneerde bijna zijn hele leven meedraagt, als een tatoeage. Tot op vandaag gebeurt dit onderzoek te vaak op willekeurige en oppervlakkige wijze. Rechters beslissen daarbij over levens op basis van soms hoogst twijfelachtige expertises. De Wet betreffende de internering van personen van Anciaux stelt voor dit onderzoek kwaliteitsregels op en voorziet een erkenning van de deskundigen. Recht op zorg vormt dus de belangrijkste pijler van de wet. Ook het verloop van de internering zal grondig veranderen. Vandaag gebeurt dit onder toezicht van de Commissie ter Bescherming van Maatschappij, waar, door de onduidelijke wetgeving, een hoge mate van willekeur regeert. Er werd inmiddels 16 miljoen euro voorzien om de verandering te kunnen doorvoeren.

Maar zelfs al wordt de wet vanaf januari 2016 goed uitgevoerd, dan is er nog steeds voldoende werk aan de winkel. “We moeten de uitstroom aanpakken; waar de minste argumenten aanwezig zijn om ze vast te houden, zitten ze het langst”, pleit Bert Anciaux. Soms voor de meest banale dingen: een man die een portefeuille stal, zit bijvoorbeeld al vier jaar opgesloten. Daarom betreurt Heymans het dat de wet geen drempel heeft, zoals bijvoorbeeld in Nederland. Daar kan iemand pas geïnterneerd worden vanaf vier jaar gevangenisstraf.

Electoraal niet interessant

Ook Lahlali heeft zo zijn bedenkingen bij de wet. Het tegensprekelijke karakter, wat inhoudt dat de advocaat het voorlopig verslag mag inkijken, komt volgens hem te laat. “Advocaten moeten vanaf dag één van de veroordeling betrokken zijn.”

En ook daar wringt vaak het schoentje: financiële moeilijkheden houden geïnterneerden vaak weg van advocaten. Lahlali juicht de opkomende veranderingen toe, maar blijft sceptisch. “Zestig jaar lang keek iedereen de andere kant op, want electoraal genoeg waren ze niet interessant, waarom iemand helpen die door zijn straf toch niet op je kan stemmen?”

Is het dan het gebrek aan middelen of het gebrek aan politieke bereidheid dat de situatie maakte tot wat ze vandaag is? Het is duidelijk dat die bereidheid anno 2014 niet langer ontbreekt, maar de maatschappij moet er wel voor klaar zijn. “We willen geen uitspattingen; niet te veel veroordelingen, maar we willen wel dat de samenleving er verder geen last van heeft.”

Zo ondervindt ook Nancy Bleys: “Mensen laten meedraaien in de maatschappij is het uiteindelijke doel, maar er is weinig tot geen bereidheid van werkgevers. Ook woningtekort is een groot probleem. Mensen die voorwaardelijk vrijkomen moeten aan enkele strenge voorwaarden voldoen, zoals een vaste verblijfplaats hebben, maar dat is wederom financieel voor de meesten niet haalbaar.”

Afgelopen mei kwam er voor het eerst een alternatief: het Forensisch Psychiatrisch Centrum in Gent. Het is een gesloten instelling waar geïnterneerden worden opgevangen. De instelling is vergelijkbaar met een psychiatrisch ziekenhuis, maar waar een hoge graad van beveiliging is voorzien. Het centrum is echter niet in handen van de overheid: een externe uitbater zal instaan voor het bestuur. Dit wekt vragen op: als de instelling nu al denkt aan een eigen systeem op vlak van beschut wonen, zal de overheid dan niet snel zijn grip verliezen? Ook Heymans maakt zich zorgen: “Straks hebben we wel een gebouw, maar geen geld voor de werking. Als men ook hier geen ruimte laat voor voldoende zorgverstrekkers, riskeert dit project te worden herleid tot een getto voor gestoorde geesten.”