Conservatisme en gebrek aan visie doden klassieke muziek
Artikel gepubliceerd op 17 november 2014 om 18:31

Klassieke muziek is impopulair door het snobisme en de elitaire houding van zowel de uitvoerders als het huidige publiek. Dat concerten amper publiek trekken hebben zij louter aan zichzelf te wijten.

Deze generaliserende uitspraak behoeft nuancering. Er zijn twee tendensen waar te nemen die weinig met elkaar gemeen hebben, behalve dan dat ze in wezen precies hetzelfde zijn.

Dit verhaal begint met een cliché: klassieke muziek in de brede zin van het woord is niet meer zo geliefd bij het grote publiek zoals dat een eeuw geleden was.

Het gevolg is een steeds terughoudender repertoirekeuze van orkesten en deels is dat natuurlijk terecht. Steeds meer orkesten moeten immers fuseren of verder bezuinigen nu overheidssubsidies langzaamaan worden teruggeschroefd. Als de zalen dan ook nog leeg blijven door verkeerd beleid wordt de financiële positie onhoudbaar met het risico failliet te gaan. Daarom kiezen orkesten telkens weer voor zeer bekende werken van bovendien zeer beroemde componisten. Uiteindelijk is het eigen aan de mens om iets te waarderen wat je al kent. Wat de boer niet kent, vreet ‘ie niet is ook in dit geval de spijker op de kop.

Als je maar kritisch bent

Evergreens te over uit alle perioden van de klassieke muziek. De boeren zullen verguld breed glimlachen bij het zien van bijvoorbeeld de affiche voor een concert op 11 december aan het Koninklijk Conservatorium Brussel. Het conservatoriumorkest speelt Die Hebriden van Felix Mendelssohn, het Hoboconcert van Richard Strauss en na de pauze is de grijs gespeelde Symphonie Nr.2 van Johannes Brahms weer eens aan de beurt.

Deze opportunistische keuzes zou- den er bij commerciële orkesten allicht voor zorgen dat het publiek iets minder hard wegloopt dan nu het geval is; het is immers gewoon fantastische muziek. Voor iemand die deze werken nauwelijks of zelfs helemaal niet kent, zou dit concert een eyeopener kunnen zijn, een keerpunt in het leven. Maar het publiek dat regelmatig concerten bezoekt, zelf een instrument speelt en bovendien een grote cd-verzameling heeft, vindt het nodig om een mening te hebben over de kwaliteit van een uitvoering. Perfectie is de norm! Het is haast een hobby geworden, klassieke concerten afkraken. Roep maar iets, als het maar negatief is. Het zal je in snobistische kringen een begrijpelijk knikken opleveren waarmee je jezelf hebt geprofileerd als kritisch persoon. Niets is in de huidige maatschappij is zo belangrijk als kritisch zijn. Als men enigszins geëngageerd is in klassieke muziek, is een borrel na een concert natuurlijk de perfecte arena om te laten zien hoe scherp je wel niet kunt zijn. 

De andere 1099

De wereld van concoursen en audities voor een vacature in een orkest zijn voor buitenstaanders onbegrijpelijk. Veel orkesten zijn er niet meer, dus voor die ene vacature melden zich soms wel honderden kandidaten, en dat is niet overdreven. Het London Symphony Orchestra had ooit een vacature bij de percussie waarvoor zich meer dan 1100 muzikanten hadden aangemeld. Ja, naar aanleiding van de audities heeft het orkest inderdaad een nieuwe percussionist aangesteld. Maar was hij nu echt aantoonbaar beter dan de andere 1099? Had hij deze aanstelling te danken aan contacten bij het orkest? Feit is wel dat bij zulke audities op zaken wordt gelet die de boeren nooit zullen horen. Men spreekt over details die zelfs aan het geoefende oor volledig voorbij gaan. Altijd maar hetzelfde repertoire werkt dit snobisme natuurlijk geweldig in de hand. Het is makkelijk te vergelijken met iets wat men al kent.

Aan totaal de andere kant van het spectrum bevindt zich de woelige wereld van de modernen, waar juist elk concert een nieuw avontuur is. Bepaald niet zaligmakend. Sinds de romantiek uit de wereld verdwenen is, greep de techniek ook in de muziek razendsnel om zich heen. De computer en het mengpaneel boden nooit eerder gehoorde mogelijkheden. Mede door deze ontwikkelingen valt er een explosie van nieuwe stijlen te beschrijven na de Tweede Wereldoorlog. Juist na zo’n afschuwelijke tijd hadden mensen behoefte aan lichte en vrolijke muziek zoals jazz. Het is een van de redenen dat rock ’n roll zo populair werd. Maar de modernisten hadden hier maling aan en overcompliceerden de klassieke muziek buiten proporties. Zij schuwden het experiment niet. Muziek diende niets meer over te brengen of iets te vertellen. Nee, experimenteren werd een doel op zich. Anderen brachten meerlagige structuren aan in hun muziek die voor geen luisteraar op gehoor te bevatten zijn.

Vroeger was het simpel

Waar we over vroeger overzichtelijk kunnen spreken over periodes als barok, classicisme en de romantiek, krijgt tegenwoordig haast elke componist een eigen -isme opgeplakt. Het is niet verwonderlijk dat het publiek door de bomen het bos niet meer ziet. Als een concert met modern repertoire wordt aangekondigd, heeft men totaal geen idee op wat voor muziek te kunnen rekenen, en dat nodigt bepaald niet uit. Vroeger was het simpel. Dan ging men naar de opera, en kort door de bocht was dat Verdi of Wagner. Dat was totaal verschillend, en toch wist men wat te verwachten. Dat ontbreekt nu.
Het eeuwig streven naar vernieuwing is hier precies de oorzaak van. Componisten moeten zich het verschil realiseren tussen authenticiteit en originaliteit. Helaas doen subsidieverstrekkende comités mee aan dit modern snobisme. Alles moet het predicaat nieuw en origineel meekrijgen, wat dus niet alleen tot gevolg heeft dat de stijlen zich verder versplinteren en verwijderen van het publiek, maar ook dat de meeste stukken slechts op één uitvoering kunnen rekenen. Bij een tweede uitvoering is het immers niet meer nieuw. Op deze manier is het voor het geïnteresseerde publiek al helemaal onmogelijk om vat te krijgen op de tendensen in de hedendaagse klassieke muziek.

Visieloos

Waar de conservatieve groep de klassieke muziek doodt door kritisch over de uitvoering te zijn, doet de moderne groep dat door open te staan voor alle interessante avantgardistische uitspattingen van kunstenaars die zichzelf als componist wensen te profileren. Openstaan voor alles, en werkelijk alles maar interessant vinden, is een excuus om geen visie te hebben.

Muziek was ooit datgene wat niet in woorden te vatten is, was ooit het gevoel dat schilderijen zelden kunnen oproepen. Maar daar gaat het al lang niet meer over. Slechts weinigen zullen muziek nog intiem beleven. Alleen al kiezen voor onbekendere composities zou een hele mentaliteitsverandering teweeg kunnen brengen. De discussie na afloop zal weer gaan over de muziek en over de componist. Er zijn zoveel tijdgenoten van Mendelssohn, Brahms en Strauss wier muziek onterecht heel weinig wordt gespeeld. Scharwenka en Bortkiewicz bekken misschien wat minder lekker? Die schrikken de onwetende boeren af? Onzin, zelfs minder bekende werken van beroemde toonkunstenaars durven de beleidsmakers nauwelijks op het programma te zetten. Wie kan zeggen ooit Francesca da Ramini van Tchaikovsky live te hebben gehoord?

Zowel het streven naar de perfecte uitvoering als het tomeloos experimenteren zijn schuldig aan de elitaire sfeer die om klassieke muziek heen hangt. Zij vormen een blokkade voor zowel nieuw publiek als jonge componisten. Een goed orkest kost veel, en dat terwijl slechts heel weinig mensen bewust horen dat het bovennatuurlijk goed is wat het orkest doet. Meer orkesten met dan maar een iets lager niveau kunnen veel meer betekenen voor de maatschappij. Kort de duur van concerten in zodat ze laagdrempeliger en goedkoper kunnen worden om ze vervolgens vaker te organiseren. Men kan dan terugkeren naar de essentie. Een concert was ooit een ontspannen avondje uit alvorens de kroeg in de te duiken. De boeren begrijpen vaak vele malen beter waar muziek om draait zonder dat onder woorden te kunnen brengen. En zo hoort het ook.