Hoe weinig we weten over onveiligheid
Artikel gepubliceerd op 27 oktober 2014 om 16:03
Els Enhus    
© De Moeial, Emily Schennach

VUB-studenten voelen zich onveilig in Brussel. Onveiliger dan andere studentengroepen. Dat is althans wat blijkt uit een enquête van het Agentschap voor Territoriale Ontwikkeling (ATO). Opnieuw lijkt daarmee het clichébeeld van Brussel als gevaarlijke grootstad bevestigd.

Het aantal debatten over onveiligheid in Brussel is niet gering. De schietpartij in Molenbeek, waarbij een argeloze fietser in 2013 bij de jaarwisseling een kogel in de rug kreeg, maakte een storm van verontwaardigde reacties los. Een hysterisch debat over een onbegrijpelijke en tragische gebeurtenis beheerste de media nog dagen.

Niet lang daarna bleken er valse taxichauffeurs actief. Met hun schijntaxi’s pikten ze jonge vrouwen op in het centrum. In plaats van de meisjes thuis te brengen, reden ze met hen naar het Terkamerenbos waar ze vervolgens werden aangerand. Andermaal bevestiging: in Brussel ben je nimmer veilig.

En dan zijn er nog buurten zoals de noordwijk die bestaan uit volle kantoren overdag, en desolate straten na werktijden. Ambtenaren die niet willen verhuizen naar een locatie op een paar honderd meter afstand. Moeten er nog voorbeelden zijn?

Het onveiligheidsdebat kent grofweg twee kampen: zij die de onveiligheid maar al te graag bevestigen en de tegenstem die beweert dat het allemaal reuze meevalt. De discussie kenmerkt zich dikwijls door anekdotiek, emotionele argumentatie en van horen zeggen. Echte wetenschap komt er vaak niet aan te pas.


Imagoschade

Het ATO deed wel onderzoek naar het Brussels studentenleven en vroeg studenten naar hun gevoel van onveiligheid in de stad. Het agentschap verspreidde een uitgebreide vragenlijst onder Brusselse studenten. De vragen gingen over allerlei thema’s uit het studentenleven, zoals tevredenheid over de woonwijk, woonsituatie en bekendheid met verschillende diensten. Pagina 21 van de enquête was gewijd aan veiligheid. Studenten konden door een bolletje in te kleuren aangeven of zij zich ‘nooit’, ‘soms’ of ‘vaak’ onveilig voelen. Daarnaast was er ruimte voor bijkomende opmerkingen.

Op die ene vraag baseert het ATO een brede conclusie over het onveiligheidsgevoel van studenten. In een tussentijdse rapportering schrijft het ATO: “Bijna 60 procent van de studenten van de VUB voelt zich ‘vaak’ of ‘altijd’ onveilig, terwijl dat cijfer in de andere universiteiten tussen 18 en 21 procent ligt.”

Professor criminologie Els Enhus bekeek de enquête op vraag van De Moeial. Het probleem zit hem vooral in de vraagstelling. “Die is te algemeen. Er is te veel ruimte voor interpretatie bij de respondenten”, vindt Enhus.

Container

Uit de ATO-enquête kunnen we dus weinig zekerheden halen als het gaat over de veiligheidsbeleving van Brusselse studenten. De methode laat te wensen over en met de conclusie gaat het ATO een stap te ver. “Al is de enquête representatief, je kan de conclusies niet zomaar aanvaarden. Onveiligheid is immers een heel breed begrip.” Het ATO beseft dat ook. In een schriftelijke reactie zegt het agentschap: “Op zichzelf genomen verte-genwoordigt [de enquête] uiteraard niet de complexiteit van de onveiligheidspro-blematiek in haar geheel. De vragen naar de onveiligheid  waren erop gericht om te peilen naar een gevoel bij de studenten en eventueel na te gaan in hoeverre dit een van de factoren is die hen ertoe aanzetten om Brussel te verlaten na hun studie.”

België is het enige land in Europa dat geen slachtofferenquêtes meer doet.

Els Enhus

© De Moeial, Quinten Joris

De conclusie is dus ongelukkig, al helemaal omdat de media graag berichtgeven over onderwerpen als onveiligheid. En net dat publieke discours over onveiligheid draagt veel bij aan het onveiligheidsgevoel.

Brussel komt over als gevaarlijke, vervuilde en problematische stad. Brusselaars die dat beeld proberen te corrigeren krijgen al snel het verwijt de ‘problemen niet te erkennen.’ Enhus: “We mogen het bestaan van onveiligheid en onveiligheidsgevoelens niet ontkennen. Ze bestaan, en dus moet je er ook iets aan doen. De politie moet niet alleen de feitelijke criminaliteit aanpakken, maar ook het onveiligheidsgevoel proberen weg te nemen. De politie ziet haar rol echter vaak niet zo.”

Mediastormen

Onveiligheid is een populair onderwerp. Zeker in combinatie met studenten doen nieuwtjes over misdaad en gevaar het altijd goed. De bekende Vlaamse socioloog en VUB-professor-emeritus Marc Elchardus bestudeerde de angst van de Vlaming en stipte in zijn research de rol van de media aan. Ook de opkomst van commerciële media heeft het onveiligheidsgevoel aangewakkerd omdat ze sensationeler zijn en meer gericht op misdaad.

“De berichtgeving over Brussel in de nationale pers is zeer ongenuanceerd”, zegt Enhus. “Er is sprake van ‘gevaar’, ‘onveiligheid’, ‘bendes’, noem het maar op. Regionale nieuwsmedia zoals TV Brussel of Brussel Deze Week zijn veel genuanceerder. Je voelt dat de oude tegenstelling tussen de stad en het platteland nog altijd speelt. In het ruraal gebied is het peis en vree, alle relaties zijn persoonlijk. De stad is verdorven, vol gevaar en problemen. Dat beïnvloedt de beleving van mensen nog altijd.”

Meten en weten

Media zijn dus niet altijd de beste raadgever als het om berichtgeving over veiligheid gaat. Een wetenschappelijke kijk op de zaak zou het debat, dat vaak ontspoort door emotie en opportunisme, kunnen bijsturen. België blijkt echter internationaal gezien bepaald geen koploper te zijn op het gebied van veiligheidsonderzoek.

De Veiligheidsmonitor, een landelijke en lokale slachtofferenquête, is door het ministerie van Binnenlandse Zaken in 2009 afgeschaft. Enhus: “Ik sta met het schaamrood op de wangen als ik naar internationale congressen ga. Ik heb geen cijfers, dus eigenlijk heb ik ook niets te vertellen. België is het enige land in Europa dat geen slachtofferenquêtes meer doet. Het is onwaarschijnlijk.”

De veiligheidsmonitor moest in een besparingsoperatie van de federale politie het onderspit delven, weet Enhus. “Intussen is het een van mijn stokpaardjes geworden. Ik ben al ettelijke keren bij Binnenlandse Zaken geweest om te zeggen dat dit echt niet door de beugel kan. Politici schijnt het echter wel goed uit te komen. Veiligheid is een geweldig thema om je op te profileren en zonder cijfers kun je als politicus zeggen wat je wil.”

De cijfers

Op basis van de laatste veiligheidsmonitor (2008-2009) schreef hoogleraar Christophe Mincke nog een analyse over onveiligheid en het onveiligheidsgevoel in Brussel. Toch had ook de veiligheidsmonitor zijn onvolmaaktheden, met name qua toepasbaarheid op Brussel. Desondanks is ze van cruciaal belang.

In de chique wijken rond het koninklijk paleis zie je nog geen papiertje op straat. Het contrast met de dichtbevolkte volkswijken kan niet groter.

Els Enhus

“Wat wil het toeval?” vervolgt Enhus. “De wijken waar mensen zich onveilig voelen, zijn net de wijken waar men mensen op elkaar propt. Ze huren aan lage prijzen en staan er economisch vaak niet goed voor, komen moeilijk aan werk en dat soort dingen. En net die wijken laten we verloederen. Ik word daar ziedend van. In de chique wijken rond het koninklijk paleis zie je nog geen papiertje op straat. Het contrast met de dichtbevolkte volkswijken kan niet groter. Maar je gaat me toch niet vertellen dat als Brussel erin slaagt om de hele wijk rond het paleis kraaknet te houden, dat hetzelfde in Molenbeek dan niet zou kunnen?”

Blijven hopen

Met de media als bron en onze politici als katalysator van het veiligheidsdebat schiet de burger in feite dus maar weinig op. De afschaffing van de veiligheidsmonitor belet onderzoekers om de realiteit in kaart te brengen. Beleid wordt afgestemd op buikgevoel en dat is op lange termijn onhoudbaar.

Door de zesde staatshervorming heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er heel wat veiligheidsbevoegdheden bijgekregen. De Brusselse regering moet om die reden zelf een preventieplan opstellen. En daarbij zouden cijfers welkom zijn. Enhus: “Ik krijg de indruk dat er stilaan iets verandert. Kennelijk heeft men toch wel behoefte aan cijfers. Ik blijf nog wel sceptisch, maar er is iets aan het bewegen.”

Veiligheid is een geweldig thema om je op te profileren en zonder cijfers kun je als politicus zeggen wat je wil.

Els Enhus
Els Enhus    
© De Moeial, Emily Schennach

Mincke stelt vast dat Brusselaars vaker slachtoffer zijn van diefstallen dan de Belgische populatie in het algemeen. Ook in relatie tot de grote steden in België, zijn de Brusselaars slechter af. Ze zijn verder ook vaker slachtoffer van geweldplegingen of gewelddreigingen dan de gemiddelde Belg. Brusselaars hebben ook vaker te maken met vernieling van auto’s, inbraak in de wagen of (pogingen tot) huisinbraak.

Brussel centrum

Dat klinkt ontstellender dan het is. Het verschil met andere grote steden is immers verwaarloosbaar. Het hogere slachtofferschap van Brusselaars hoeft bovendien niet te betekenen dat de misdrijven ook in Brussel werden gepleegd. Het vinden van een verklaring van de statistieken is dan ook minstens zo belangrijk als de data zelf. Professor Enhus illustreert: “Je bent natuurlijk appels met peren aan het vergelijken als je beweert dat Antwerpen minder criminaliteit kent dan Brussel. Brussel is een miljoenenstad, het is een centrum van werkgelegenheid, internationale instellingen en verkeersknooppunten. Dan is het niet vreemd dat sommige delicten hier meer voorkomen. Neem nu fraude: wie wordt er in een fraudezaak voor de rechter gedaagd? Het hoofdkantoor. En waar ligt dat? In Brussel.”

Wat zegt het werkelijk slachtofferschap eigenlijk over het onveiligheidsgevoel? Enhus: “Niets.” Helemaal niets? “Helemaal niets. Dat weet ik zo zeker omdat ik gewerkt heb rond slachtofferenquêtes. De correlatie tussen daadwerkelijk slachtofferschap en onveiligheidsgevoel is verwaarloosbaar.”

In zijn analyse van de laatste veiligheidsmonitor schrijft Mincke over het onveiligheidsgevoel: “Wat de gradaties van het onveilig- heidsgevoel in Brussel betreft, lijkt de situatie niet rampzalig. In de eerste plaats omdat 51,91 procent van de Brusselaars in 2008 verklaarde dat ze nooit of slechts soms onveiligheidsgevoelens hadden. 35,69 procent voelde zich zelden onveilig, 10,54 procent vaak en 2,67 procent altijd. Slechts 13 procent van de bevolking heeft een groot onveiligheidsgevoel. Dat cijfer is niet verwaarloosbaar, maar plaatst de problematiek in het juiste perspectief.” Van 2002 tot 2008 bleef die situatie vrij stabiel.

Alarmbellen

Toch voelt iets meer dan tien procent van de Brusselaars zich vaak onveilig. Als dat niet aan de werkelijke criminaliteit ligt, waar komt dat gevoel dan wél vandaan? Enhus: “Bij de verklaring van onveiligheidsgevoel spelen verschillende factoren een rol. Het gaat vaak om perceptie van de omgeving: een verpauperde buurt bijvoorbeeld, waar graffiti op de gevels is gespoten of waar veel rommel op straat ligt, doet bij de meeste mensen een alarmbel rinkelen.”

Stadsontwikkeling en stedelijke planning zijn nog zo’n factor die het gevoel van onveiligheid kunnen aanwakkeren of juist terugdringen. Enhus: “Mensen zijn sneller angstig als ze het gevoel hebben dat niemand hen kan zien. Neem nu de VUB-campus in Etterbeek: vroeger was het terrein dichtbegroeid met bomen en struiken. Studenten voelden zich niet op hun gemak omdat ze niet zichtbaar waren. Een herkenbaar gevoel, maar erg rationeel is dat eigenlijk niet. Uit onderzoek blijkt immers keer op keer dat omstanders vaak niet ingrijpen als ze getuigen zijn van criminaliteit. Maar toch hebben mensen het gevoel dat het veiliger is als ze gezien worden.”

Politieke keuzes

De architectuur en de indeling van de stedelijke ruimte zijn dus van groot belang voor de ervaring van burgers en bezoekers van een stad. Om fiasco’s zoals het ambtenarenkwartier in de noordwijk te vermijden is het dus belangrijk dat de politiek de juiste beslissingen neemt. Zonder juiste onderzoeksgegevens heeft de politiek vrij spel om beleid te voeren op basis van politiek gewin zonder rekening te hoeven houden met de realiteit. “Ik neem mijn studenten elk jaar mee op een wandeling door Brussel. We gaan dan te voet via het koninklijk paleis en het justitiepaleis naar Molenbeek. Op de brug over het kanaal kondig ik meestal aan: ‘Nu gaan we Molenbeek binnen.’ Je voelt de groep verstijven. Als ze er eenmaal rondgelopen hebben vinden ze het echter een heel gezellige buurt. Zeker als er marktjes bezig zijn”, vertelt Enhus.