Guy Vanhengel: “Waarom een studentenminister? Omdat ze met 65.000 zijn”
Artikel gepubliceerd op 27 oktober 2014 om 16:01

© De Moeial, Manly Callewaert

De Brusselse studenten hebben hun zin gekregen. Ze vroegen in aanloop van de jongste verkiezingen een minister voor Studentenzaken. Die kregen ze in de vorm van minister Guy Vanhengel (Open VLD).

De redactie maakte ruim op tijd een afspraak met de minister, in de veronderstelling dat het nog wel even zou duren voor er ruimte was in de drukke agenda van de kersverse studentenminister. Niets bleek minder waar, op 31 juli al zaten wij tegenover een goedlachse Guy Vanhengel die er duidelijk zin in had.

De studenten zijn alvast tevreden, vermoed ik.

Vanhengel: “Ja, het was een vraag van de studenten. In aanloop naar de verkiezingen hebben we zoals gewoonlijk van veel organisaties memoranda gekregen om ons te zeggen waar ze aandacht voor vragen. Van de studentengemeenschap kregen we er ook een.”

“In het begin is er wel om geglimlacht in de politiek. Waarom nu een minister voor studenten, als je weet dat er zoveel verschillende gemeenschappen zijn die een binding hebben met Brussel? Mijn antwoord in de regeringsvorming is daarop altijd geweest: omdat ze met 65.000 zijn.”

“Brussel is de grootste studentenstad van België, alleen valt dat niet zo op omdat die gemeenschap verwatert in de stad. Alleen met Saint Vé zijn ze duidelijk herkenbaar. Het is dus een grote groep die er is, maar die niet deelneemt aan het democratisch proces. We hebben geen studenten-gemeenteraadsleden, geen student-schepenen. De studenten ontsnappen zo misschien een beetje aan onze aandacht.”

Wat zijn de speerpunten voor uw beleid wat studenten betreft?

“In het overleg met de studenten komt altijd de nood aan fuifaccommodatie in het centrum terug. Dat hebben we dan ook opgepakt. Belangrijker dan de fuifzaal is het voorzien van voldoende studentenhuisvesting. Dat moeten we gaan doen met alle overheden samen. Er zijn al plannen om de leger- en rijkswachtkazernes tegenover de VUB te ontwikkelen. Dat gaat geen exclusief studentenhuisvestingproject zijn, maar studentenhuisvesting moet erin geïntegreerd worden. We willen de studentenkamers ontwikkelen in de buurt van campussen zonder studentengetto’s te creëren.”

“Het derde speerpunt is minder tastbaar: de reputatie van Brussel. Je hebt nu studenten die in Brussel studeren, maar een kot nemen in Leuven. Wij zouden veel liever hebben dat die studenten naar Brussel komen om mee te leven met de stad. Het beeld van Brussel is ongeveer dertig jaar geleden ontwikkeld en sindsdien nauwelijks nog veranderd. De stad heeft echter in die dertig jaar een metamorfose ondergaan. Brussel is de meest kosmopolitische stad van Europa: geen enkele nationaliteit ontbreekt en meertaligheid is hier troef.”

Deze functie houdt me jong.

Guy Vanhengel

© De Moeial, Manly Callewaert

U wil er dus voor zorgen dat er meer koten bijkomen. Hoe garandeert u de kwaliteit van die nieuwe huisvesting?

“De komende tien jaar gaan we een tiental wijken ontwikkelen. De aanzet daarvoor geven we tijdens deze legislatuur. Aan Reyers komt er een mediapool, een interessante site voor studentenhuisvesting: je bereikt gemakkelijk de universiteiten (VUB en ULB, nvdr.) en het centrum. Nog zo’n project is het Josaphatstation. Niemand weet dat liggen, maar ook dat gebied gaan we ontwikkelen. Hetzelfde aan Delta, waar een gloednieuw CHIREC-ziekenhuis komt. Verwacht in geen van die projecten een meerderheid aan studentenhuisvesting, maar we integreren studenten in elk van de tien projecten.”

“Aan Vlaamse kant proberen we de kwaliteit van studentenhuisvesting via Br(ik op te volgen en ervoor te zorgen dat koten die op de markt komen een label hebben. We zijn zeer tevreden met het werk van Brik. Zeker wat studentenhuisvesting betreft.”

Het labelen van koten verloopt traag. Zou u bereid zijn om Br(ik meer middelen toe te kennen om dat proces te versnellen?

“Ik heb de vraag nog niet gehad, maar moest men mij zeggen: ‘we willen daarin versnellen en uitbreiden’, dan zou ik zeker willen bekijken hoe we dat gaan doen. Als minister van Begroting vind ik dat je meer middelen altijd moet kunnen overwegen als je je prioriteiten aan het afwegen bent. Vooral als je weet dat de middelen goed besteed zullen worden. Wij vinden dat Br(ik goed draait en telkens als ze met een goed uitgewerkt, praktisch haalbaar project naar ons zijn gekomen, hebben wij er de middelen voor vrijgemaakt.”

Is er een aparte begrotingspost getiteld ‘studentenzaken’?

“Nog niet. Behalve natuurlijk de lijn voor Br(ik, die is wel identificeerbaar. We weten ook al dat er in ons investeringsprogramma een lijn moet komen voor de fuifzaal. Pascal Smet heeft al aangegeven zich daarmee bezig te willen houden. Er staat nu nog geen bedrag achter, maar ik weet dat daar iets moet komen (bulderlacht). Ik vul pas een bedrag in als het project duidelijk is.”

Gaat u studenten zelf betrekken bij het beleid?

“Jazeker. Nu de studenten weten wie hun aanspreekpunt is, is het de bedoeling dat we op regelmatige basis samenzitten met de studenten om te praten over waar we staan. De Nederlandstalige studenten kunnen bij mij terecht. Voor de Franstalige studenten is het eerste aanspreekpunt Fadila Laanan (PS). De minister-president, Rudi Vervoort (PS), is de neutrale derde, de assexué linguistique, zoals dat in het Frans heet.”

U lijkt in elk geval zin te hebben in uw nieuwe bevoegdheid.

“Absoluut. Dat houdt me jong! (lacht) Ik heb goede banden met de rectoren en de verantwoordelijken bij de hogescholen. Ik probeer zo goed mogelijk met hen samen te werken. Toen ik hier tien jaar geleden begon, verzuchtte men: ‘Leuven en Gent helpen hun hogescholen en universiteiten bovenop wat Vlaanderen doet. Brussel doet dat niet.’ Dat was ook waar. Wij investeerden toen, en nu nog steeds overigens, veel in het basis- en secundair onderwijs. Maar we zijn wel beginnen zeggen: ‘Wacht eens, voor het hoger onderwijs kunnen we ook iets betekenen.’ Van daaruit is Br(ik ook ontstaan. We proberen, waar onze bevoegdheden dat toelaten, zo behulpzaam mogelijk te zijn.”