Literaire geesten: Victor Hugo
Artikel gepubliceerd op 20 Mei 2014 om 14:31

Een jaar lang wandelde u samen met De Moeial door de meer dan vierduizend straten van Brussel, en stootten we op literaire geesten. In hun Brusselse kamers troffen we onder andere Jan Greshoff in de Reyerslaan, Multatuli in de Arenbergstraat en Charles Baudelaire in de Bergstraat. Voor het laatste deel van deze reeks houden we halt in het hart van Brussel, waar we de alomtegenwoordige Victor Hugo vastgrijpen op de Grote Markt.

Samen met Karl Marx en Michael Bakoenin is Victor Hugo waarschijnlijk een van de bekendste negentiende-eeuwse politieke ballingen die Brussel in de armen sloot. Hugo bezoekt Brussel voor een eerste keer als toerist in 1837 en verblijft in hotel La Porte Verte in de Violetstraat. Het zou veertien jaar duren tot de schrijver zou terugkeren naar de Europese hoofdstad. Wanneer Napoleon III op 2 december 1851 een staatsgreep pleegt, voelt Hugo het te heet worden onder zijn voeten en ontvlucht hij Parijs. Op 11 december kwam Victor Hugo aan in het Zuidstation, toen aan het Rouppeplein. Vermomd schreef hij zich in als letterzetter en onder de alias Jacques Firmin Lanvin. Ook deze keer nam hij zijn intrek in de Violetstraat.

Lang duurde het niet vooraleer het stadsbestuur, toen geleid door burgemeester Charles de Brouckère, lucht kregen van de aankomst van de balling. De Brouckère zelf was zodanig verheugd door de komst van de auteur dat hij Hugo prompt onderdak verschafte op de Grote Markt. Naar verluidt kweekte de burgemeester al snel de gewoonte om dagelijks, voor het aanbreken van de werkdag, langs te gaan bij zijn nieuwe Franse vriend. Gedurende enkele weken woonde hij in de herberg 'De Duif' op het nummer 16, vooraleer te verhuizen naar het nummer 26-27. Daar zou hij blijven tot de zomer van 1852 en onder meer Napoleon-le-Petit, Histoire d'un Crime en de woorden “Belgen, op een dag zal er sprake zijn van de Verenigde Staten van Europa” schrijven. In 1852 vertrok Victor Hugo naar de kanaaleilanden Jersey en Guernsey, maar Brussel waarlijk verlaten doet hij nooit.

Hij had zijn hart namelijk ook verloren aan zijn maîtresse, de charismatische Juliette Drouet, een actrice die resideerde in de Prinsengang 10bis aan de Sint-Hubertusgalerij. Hugo zou van zijn ballingschap gebruikmaken om het manuscript van Les Misères uit te werken tot Les Misérables, en nadat hij in 1861 opnieuw toekomt in België vindt de auteur meteen interesse en een uitgever. Op 30 maart 1862 verschijnt Les Misérables, een heuglijke gebeurtenis die de uitgever viert met een gigantisch banket in het bijzijn van burgemeester Fontainas.

In 1865 keert Victor Hugo opnieuw terug naar Brussel, waar hij zich vestigt aan het Barricadenplein met zijn echtgenote en hun twee kinderen. De figuur van de Franse balling blijft echter ook nu niet onbesproken. Wanneer hij het in 1871 opneemt voor de Parijse Communards begint de Belgische overheid zich te roeren, zij het pas nadat Hugo de opstandelingen had uitgenodigd om allen naar Brussel te komen. Een boodschap die Brussel niet beviel, want in de nacht van 27 op 28 mei wordt Hugo's huis op het Barricadenplein met stenen bekogeld. Koning Leopold II vond het ondertussen welletjes en zette Victor Hugo het land uit.