Hervorming Erasmus+: stagiairs krijgen lagere beurs
Artikel gepubliceerd op 20 mei 2014 om 14:30
Landencategorie 1 (grijs), landencategorie 2 (blauw), landencategorie 3 (gestreept)    

Het populaire Erasmusprogramma, waarbij studenten een buitenlandse uitwisseling kunnen doen, bestaat 27 jaar en wordt hervormd. Eind april keurde ook de Vlaamse regering de hervorming goed.  Het programma draagt vanaf dit jaar de naam Erasmus+ en loopt door tot 2020. Kernpunt van het nieuwe programma is de buitenlandse stage, al wacht de alumni die besloten volgend academiejaar een stage te volgen een koude douche.

Meer dan drie miljoen studenten namen de afgelopen decennia deel aan het Erasmusprogramma. Het academiejaar 2011-2012 was een absoluut recordjaar, toen namen meer dan zevenduizend Belgische studenten deel aan het programma. Alles wijst erop dat deze trend zal aanhouden. De begroting voor de hervorming werd op 19 november ruimschoots goedgekeurd door het Europese parlement en werd geraamd op 14,7 miljard euro, een stijging van 40 procent in vergelijking met het vorige budget. 

Twee derde van dat budget wordt door Europa voorbehouden voor individuele leermobiliteit, waarmee jongeren in het buitenland kunnen studeren of er na hun studie stage kunnen lopen. Die keuze maakte Androulla Vassiliou, Europees Commissaris voor Onderwijs, bewust. “Erasmus+ zal ook bijdragen tot het gevecht tegen jeugdwerkloosheid door jongeren de kans te geven om hun kennis en vaardigheden te vergroten door middel van ervaringen in het buitenland. Dat is cruciaal als we onze jonge generatie willen uitrusten met de kwalificaties en vaardigheden die ze nodig hebben om te slagen in het leven,” aldus Vassiliou in november. 

Vassiliou noemt de tergende jeugdwerkloosheid de grootste uitdaging waar Europa mee geconfronteerd wordt. “We staan in Europa tegenover een paradox, waarbij er een mismatch is tussen de kwalificaties van jongeren en de beschikbare jobs.” 

Vlaamse herverdeling

Net zoals voor de hervorming van de het Erasmusprogramma leggen de nationale regeringen ook bij Erasmus+ geld bij voor de beurzen. De opmerkelijkste wijziging in het Erasmusprogramma ligt erin dat er vanaf dit jaar niet alleen een onderscheid komt tussen beurs- en niet-beursstudenten, maar dat de hoogte van de beurs  voor studentenmobiliteit afhankelijk wordt van het land van bestemming. De landen van bestemming worden opgedeeld in drie categorieën, afhankelijk van hun BNP (zie kader). Verder blijft de verdeling tussen beurs- en niet-beursstudenten bestaan, waarbij de eerste categorie studenten bestaat uit beursstudenten, beurstariefstudenten en bijna- beursstudenten. Het verschil in beursbedragen tussen deze categorie studenten en de niet-beursstudenten wordt relatief groter dan totnogtoe het geval was. 

Vanaf het academiejaar 2014-2015 zullen niet-beursstudenten, afhankelijk van hun land van bestemming, 235 euro (landencategorie 3), 285 euro (landencategorie 2) of 335 euro (landencategorie 1) per maand krijgen. Studenten die aanspraak kunnen maken op een studietoelage krijgen respectievelijk 335 euro, 385 euro of 435 euro per maand. Tot dit academiejaar kregen beursstudenten die deelnamen aan het Erasmusprogramma 380 euro per maand. Niet-beursstudenten kregen een beurs van 310 euro per maand. 

Klap voor stagiairs

Naast het Erasmusprogramma bestond tot dit jaar ook het Leonardo Da Vinci-programma, waarbij net afgestudeerden tot één jaar na hun afstuderen een beurs kregen om een stage te volgen in een ander Europees land. Deze stages voor alumni kunnen in het verlengde liggen van de studie of een toekomstige carrière. Door hervorming van het Erasmusprogramma valt Leonardo Da Vinci vanaf komend academiejaar onder Erasmus+. 

Zeer markant is dat het stageprogramma, dat zich richt op alumni, binnen Erasmus+ behoort tot de categorie studentenmobiliteit. Bijgevolg werd ook de financiering van de stages gelijkgetrokken met die van de studies. Jongeren die vanaf volgend academiejaar een stage willen volgen binnen Europa zullen moeten rekenen op een budget dat ligt tussen de 335 euro en de 435 euro. Deze bedragen staan in fel contrast met de bestaande stagebeurzen, die gemiddeld 900 euro per maand bedroegen. 

Het nivelleren van de studie- en stagebeurzen zorgt verder voor een bijzondere tegenstrijdigheid voor de jongeren die binnen België een stage zouden volgen, en zij die zouden deelnemen aan het vroegere Leonardo Da Vinci-programma. In België zijn onbezoldigde stages immers verboden. De stagevergoeding in België komt overeen met een percentage dat verschilt naargelang de leeftijd van de jongere en dat wordt berekend op de helft van het gemiddeld maandelijks minimuminkomen. De minimumvergoeding van de stagiair is afhankelijk van zijn of haar leeftijd en fluctueert tussen de 480,60 euro voor vijftienjarigen en 705,90 euro voor twintigjarigen. Stagiaires die 21 jaar of ouder zijn krijgen sinds 1 december 2012 een vergoeding van 751 euro,  een bedrag dat meer dan het dubbele telt van de maximumbeurs voor stagiaires in het Erasmus+-programma.

Geen communicatie

De klap voor de studenten die binnenkort afstuderen en een buitenlandse stage rekenen te volgen in het volgende academiejaar zal ongemeen groot zijn, niet alleen door de grote daling van de beurzen, maar zeker en vooral door het uitblijven van communicatie. Hoewel geweten was dat er een hervorming van het programma op til stond, was het lange tijd onbekend wat dat zou betekenen voor de beursbedragen. 

De deadline voor het indienen van een aanvraag om deel te nemen aan een studie-uitwisseling of buitenlandse stage is bovendien al sinds 15 april verstreken. Hoewel de beurscontracten nog niet ondertekend zijn, zullen menig studenten ongetwijfeld voor een verrassing staan wanneer dit moment er in mei zal komen. Het blijft afwachten hoe de studenten en bijna-afgestudeerden zullen reageren op de hervorming.