Wanneer besparen bezigheidstherapie wordt
Artikel gepubliceerd op 16 december 2013 om 16:21
© De Moeial, Quinten Joris    

Met de transfer van de vakgroep Communicatiewetenschappen (SCOM) naar de faculteit Economische, Sociale en Politieke wetenschappen (ES) vertrok een groot deel van de inkomsten van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte (LW). De besparingen die de faculteit moet doorvoeren worden geschat op 500.000 euro. De initiële besparing van 250.000 euro werd onvoldoende bevonden door het bestuurscollege, waardoor de faculteit in januari een nieuw besparingsplan zal moeten voorleggen aan de Raad van Bestuur. Het is nog onduidelijk wie getroffen zal worden door de verdere besparingen, alsook of het tweede besparingsplan de Raad van Bestuur tevreden zal stellen.

De faculteit LW is echter lang niet de enige die moet reorganiseren, ook andere faculteiten moeten op vraag van het rectoraat binnenkort een beleidsplan voorleggen. Het moge duidelijk zijn dat dit niet zonder horten en stoten verloopt, want sommige faculteiten sleutelen ondertussen al aan versie nummer zes van hun beleidsplan. De besparingen hebben gevolgen die nu al voelbaar zijn voor zowel het professoren- als het studentenkorps, en oefenen een negatieve invloed uit op het onderwijsaanbod en de onderwijskwaliteit van de VUB. Daarbij houdt de volhardende vraag naar besparingen vanuit het rectoraat het decanaat al maandenlang bezig.

De dilemma's waarmee de facultaire raads- en bestuursleden geconfronteerd worden, laten weinig plaats over voor verdere reflectie over de positie van de faculteit binnen de instelling. De constante stroom van bezuinigingen en de strakke deadlines die het centrale bestuurscollege hen oplegt, baren de leden van de faculteit zodanig veel kopzorgen dat hen amper tijd rest voor andere zaken en dat het spotten van ruimte voor besparingen de gangbare bezigheid is geworden binnen de faculteit. Bestuursleden krijgen maar net genoeg tijd om een antwoord te vormen op de hoe-vragen van het besparingsplan. De waarom-vragen moeten ze bij gebrek aan tijd onbeantwoord laten.

De era van de hervorming is al een hele tijd ingeluid. Laten we deze term echter niet gekaapt zien door het bestuur van de universiteit.   

Het constante besparen kadert in een bedrijfslogica die gangbaar is in de managementwereld, waarbij de verantwoordelijkheid wordt afgewenteld naar de laagste niveaus, die zo overstelpt worden met het werk. Daarnaast is ook de duur ervan zorgwekkend: de besparingsproblematiek sleept al maandenlang aan, zodat besparen stilaan de courante manier van besturen lijkt te zijn geworden. Rector Paul De Knop is ondertussen twee jaar verder in zijn tweede ambtstermijn. Stilaan dreigt zijn manier van besturen te logisch geworden om in vraag te stellen.

Voor de studentenvertegenwoordigers lijkt de huidige manier van besturen nog minder eindig in de tijd. Zij worden op jaarlijkse basis verkozen, voor een termijn van één academiejaar. In theorie kunnen studenten vier jaar lang de studentenpopulatie vertegenwoordigen, als we in achting nemen dat de gemiddelde opleiding vijf jaar in beslag neemt. De realiteit leert ons echter dat zij vaak niet langer dan twee jaar actief zijn binnen de studentenvertegenwoordiging. Aanslepende besparingsdossiers doen voor nieuwbakken studentenvertegenwoordigers uitschijnen dat de universiteit in een permanente staat van besparingen verkeert, met een tergende passiviteit tot gevolg (zie ook de edito in de novembereditie van De Moeial). Waarom zouden studenten immers een bestendige manier van werken tegenspreken?

De universiteit verkeert in een precaire situatie en moet besparen. Die boodschap is ondertussen ook doorgedrongen bij de studentenpopulatie. De andere boodschap die hen moet bereiken is er echter één die hen vertelt dat het niet altijd zo geweest is. Het engagement van de studentenvertegenwoordiging stopt niet na één jaar, maar heeft alle baat bij een langdurige en onvermoeibare samenwerking en communicatie met nieuwe stuvers. Enkel en alleen wanneer ervaringsdeskundigen aan de studentengemeenschap en haar vertegenwoordigers duidelijk kunnen maken dat het heden niet monochroom is met het verleden, kan de tijd van lijdzaam toekijken voorbij zijn. Deze taak valt gedeeltelijk ook ten deel aan docenten, die met jaren ervaring achter hun kiezen meer dan wie ook zicht hebben op de tijdslijn van de veranderingen binnen de universiteit en aan hetzelfde zeil dienen te trekken als de studentengemeenschap. De era van de hervorming is al een hele tijd ingeluid. Laten we deze term echter niet gekaapt zien door het bestuur van de universiteit. De dynamiek van verandering valt te beurt aan de studenten.