Literaire geesten: Charles Baudelaire
Artikel gepubliceerd op 16 december 2013 om 16:19
© De Moeial, Sarah Hamdi    

Eén keer per maand trekt ondergetekende voor u – en let wel, enkel voor u, want aan frisse lucht hebben wij bij De Moeial geen behoefte – de deur van de redactie achter zich dicht. Op zoek naar de literaire spoken die door uw stad waren, door de meer dan vierduizend sprekende straten, laten we voor eens niet de schrijver, maar de stad aan het woord.Vorige maand zagen we een meesterwerk vloeien uit de vingers van Douwes Dekker, alias Multatuli, in de Arenbergstraat 52. Honderd meter verder en vijf jaar later treft De Moeial Charles Baudelaire.

Op 24 april 1864 baant Baudelaire, Frans dichter en kunstcriticus, zich een weg naar de Belgische hoofdstad. De toen 43-jarige auteur van onder andere Les fleurs du mal ontvlucht Parijs met als voornaamste doel in de bloeiende Brusselse artistieke kringen te infiltreren en een manier te vinden om zijn verzameld werk uit te geven. Eenmaal toegekomen vestigt de naar het schrijverschap bekeerde priester zich in kamer 39 van het hotel Grand Miroir, gelegen in de Bergstraat nummer 28. De in schulden verzuipende Baudelaire leek echter hetzelfde lot beschoren als vele andere naar Brussel uitgeweken Franse kunstenaars; al snel bleek hij het moeilijk te hebben met de dagelijkse huur die 6,50 frank bedroeg.

De dichter worstelde echter niet alleen met zijn financiën; zijn professionele leven liep evenmin van een leien dakje. Vergeefs had de poète maudit gehoopt dat zijn werk beter onthaald zou worden in Brussel dan in Parijs. Teleurgesteld en verbitterd schrijft hij in zijn pamflet La Belgique Déshabillée van 1864 dat “Brussel een stad is om te lachen.” Het is niet duidelijk of toenmalig burgemeester Jules Anspach zijn stad toen evenzo had laten inpalmen door een afstotelijke kerstmarkt. Verder hoonde de auteur naast de stad zelf, ook haar Lambic-bier, dat volgens hem “gepuurd wordt uit die grote urinoir (de Zenne). Het is bier dat gemaakt is van de uitwerpselen van de stad, die sinds eeuwen haar eigen urine drinkt.”

Niet veel later geeft Baudelaire uiting aan de walging die hem te beurt valt in zijn gastland. In Pauvre Belgique wenst Baudelaire vol minachting het Belgisch koninkrijk de dood toe, en verschaft hij het terloops een naar zijn mening gepast epitaaf: “Enfin!” Toch zal Charles Baudelaire nog twee jaar in Brussel blijven wonen, wanneer intussen ook de eerste symptomen van hemiplegie de kop opsteken. Na maandenlang pendelen tussen hospitalen verlaat de dichter op 2 juli 1866 de stad die hij versmaadt voor Parijs, de stad die hem versmaadt. Baudelaire sterft er op 31 augustus 1867 in de armen van zijn moeder, volledig van zijn spraakvermogen beroofd, maar met woorden achter zijn naam die tot in de eeuwigheid weerklinken.