Ars Poetica: Parkeertoren 58
Artikel gepubliceerd op 16 december 2013 om 16:19

Overbemande metro’s suizen door lege onderaardse gangen
Slechts aangedreven door een geautomatiseerd verlangen
De bodem af te schuimen met geregeld interval
Anonieme feestbus op een meest ingetogen carnaval

En vanaf parkeertoren achtenvijftig schreeuwt een onverlaat:
De stad is verloren! Ze werd door god verlaten!
Hij kon niet langer de klaagzang aanhoren en pleegde hoogverraad
Kotsbeu om met iedereen in ongrijpbaar allemans te praten

‘s Ochtends Voor de glazen poorten in een veel te nieuwe straat
Staan omstreeks half oktober een massa kerstskopers paraat
Een streepje winkels trekt een stormloop shoppers aan
Vlakbij ‘t station, opdat ze de boze stad niet hoeven in te gaan

En vanaf parkeertoren achtenvijftig schreeuwt een ellendeling:
De stad staat te koop! Ze moet onmiddellijk per opbod geveild
Voorzien van een europees keurmerk en ontsloten door een ring
Miljoenstehands doch proper, want met kraan open gedweild

Schaars geklede jonge dames in roos omrande raamkozijnen
Staren weemoedig voor zich uit naar de voorbijrazende treinen
Ze zouden ook graag een keer gepakt, gezakt vertrekken op reis
Liefst ergens simpel: zee of Ardennen, zeker niet nogmaals ‘t paradijs

En vanaf parkeertoren achtenvijftig schreeuwt een zonderling
Jammerend, mekkerend, schreiend maar bovenal toch schreeuwend
Schreeuwend naar ieder mens, hemellichaam of hebbeding
Het is niet makkelijk uit Herkauwde lust een nieuw hart smeden